*

 

Fijnzinnige herinneringen aan het Oostblok

WIL ROULEAUX − 02/09/00, 00:00

recensie In het voorwoord bij zijn verhalenbundel 'Roomservice' merkt Richard Swartz op dat er omtrent de vroegere Oostbloklanden heel wat misverstanden bestaan. Dat het communisme erger was dan de cholera strookt bijvoorbeeld net zomin met de waarheid als dat Praag een bruisende stad was waar je volop kon genieten van de Boheemse keuken.

Swartz besloot iets aan deze mythen te doen en nam plaats achter zijn schrijftafel, teneinde vast te leggen hoe het 'gedurende de laatste dertig jaar is geweest, voordat ook ik het vergeet'. De Zweed Richard Swartz (1945) kan het weten, want hij is al vijfentwintig jaar correspondent Oost-Europa van Svenska Dagbladet. Zijn reportages en verhalen, die regelmatig ook in de Frankfurter Allgemeine verschijnen, munten uit door kennis van zaken en een excellente stijl. Je zou Swartz kunnen vergelijken met de in Nederland misschien bekendere Engelsman Timothy Garton Ash, die over dezelfde onderwerpen schrijft en ook in de internationale pers present is. Maar Swartz schrijft verhullender, laat meer aan de lezer over en door de vermengeling van feiten en fictie behoort zijn werk eerder tot de literatuur.

Swartz' literaire debuut 'Roomservice', drie jaar geleden in Zweden verschenen (en vorig jaar in Duitsland bejubeld door de kritiek), opent met een tijdsbeeld van Praag in de jaren zestig. Aan de hand van drie verschillende milieus toont hij aan hoe de burgers van de stad te lijden hadden onder het communisme. De wetenschappelijke docent economie Klíma wordt heen en weer geslingerd tussen zijn rigide beroepsleven en zijn privé-bestaan, dat niet gespeend is van opstandigheid en vrijheidsidealen. De gedegradeerde hotelportier Clementis, eertijds directeur van een grote ijzer- en staalcombine, wordt gechicaneerd door de geheime dienst - wat overigens zijn goede humeur niet vermag te bederven. En de bejaarde vertegenwoordigers van de Praagse bourgeoisie klampen zich vast aan het verleden ('met behulp van hun verfijning en weerzin tegen compromissen') en houden hun hoop gevestigd op het Westen. Swartz beschrift hoe hij zijdelings betrokken raakte bij de lotgevallen van deze Pragers. In de jaren zestig studeerde hij bij Klíma, en Clementis leerde hij kennen doordat hij verliefd werd op diens dochter. Ook in de meeste andere verhalen uit 'Roomservice' treedt hij op als participant.

Het voortreffelijke 'Naschrift bij een revolutie' begint als een journalistieke reportage. De verteller bezoekt de Roemeense dominee Láslo Tökes, die in 1989 in de provinciestad Timisoara aan de basis stond van de revolutie. Maar al snel wordt duidelijk dat het Swartz om iets anders, iets veel fundamentelers te doen is. Namelijk om de vraag waarom de revolutionairen van het eerst uur (behalve de verbitterde Tökes ook de Roemeense intellectuelen Mircea Dinescu en Silviu Bruncan) zo snel de macht kwijtraakten, misschien wel moesten kwijtraken. De reportage verandert in een verhalende analyse vol schitterende details, die overigens meer vragen oproept dan ze beantwoordt. Het laatste is typisch voor Richard Swartz: pasklare antwoorden, conclusies of zelfs maar veralgemeningen zijn bij hem uit den boze. Deze geboren scepticus en relativist gaat liever tastend en aarzelend te werk. Zijn mededogen met de arme sloebers die pech hadden om geboren te worden aan 'de verkeerde kant van de grens die Europa van Half-Azië scheidt', is overal duidelijk waarneembaar.

Nieuwsgierigheid en betrokkenheid lijken Swartz' belangrijkste drijfveren op zijn trektochten door Oost-Europa, waar hij ondanks alles een vreemdeling is gebleven. ,,Mijn nieuwsgierigheid kende geen grenzen, ervan overtuigd als ik was dat ik mijzelf altijd kon redden door een stap terug te doen over de grens tussen mijn wereld en de hunne.''

Subliem bespeelt de grensganger Swartz (hij woont in Wenen) de diverse varianten van het korte verhaal. Tamelijk realistische impressies van bezoeken aan Oost-Polen of Transsylvanië, waar hij met nationalisme en haat tegen de Hongaarse minderheid geconfronteerd wordt, staan naast parabels en satires of een ontroerend liefdesverhaal als 'Lola'. Het titelverhaal speelt zich af in Albanië, een land dat Swartz diverse keren heeft bezocht maar dat hem altijd vreemd is gebleven en waarover hij nauwelijks één letter op papier kon krijgen. De veranderingen die uiteindelijk ook hier plaatsvinden illustreert hij aan de hand van de ex-hotelbaas Miri, vroeger een raadselachtige en gedistantieerde man, maar nu -als vertegenwoordiger van een firma in elektronica- uiterst praatgraag en gekleed in een jasje waarop de naam van een Amerikaanse sportclub prijkt.

De enigszins melancholieke Swartz schrijft een verzorgd en soepel proza, dat men nog het beste als 'onopvallend elegant' kan kwalificeren. Een cliché of een slechtlopende zin komt in het hele boek niet voor. Hij is een discrete, onnadrukkelijke verteller bij wie je veel tussen de regels door dient te lezen. Op zijn beste momenten weet hij te ontroeren. Dat 'Roomservice' ook in het Nederlands zo'n prettig leesbare bundel is, die men iedereen kan aanbevelen die geïnteresseerd is in Oost-Europa, mag ook een verdienste van de beide vertaalsters worden genoemd.

mailIcon print |