recensie Een lijvige roman heeft als voordeel dat je oordeel gevormd wordt nog voor het boek uit is. Niet al lezende maar in de uren dat je niet leest. Verheug je je op het boek, maak je uren vrij om er een flinke ruk aan te geven, of pak je het met een zucht op en kost het al de grootste moeite de pagina terug te vinden waar je gebleven was.
'Tweeduister' van Joke Hermsen behoort tot de eerste categorie: het is een roman van zo'n 500 bladzijdes, waarop ik me telkens weer verheugde vanaf het ogenblik dat ik het boek weglegde. In een poging grip te krijgen op de roman noemde Yra van Dijk 'Tweeduister' in de Volkskrant (5-1) onder meer een historische roman, een verslag van een tijdperk, een filosofische analyse van het schrijverschap, een oorlogsroman en een geromantiseerde biografie.
Hoewel de typeringen elkaar aanvullen, lijkt het stempel 'geromantiseerde biografie' het boek het meeste recht te doen, alleen al omdat het de gewaagdste omschrijving is, en ook de zwakke kant ervan blootlegt. Het woord 'biografie' moet dan wel ruim worden opgevat, want behalve het leven van de ogenschijnlijk fictieve hoofdpersoon Martha Thompson beschrijft Hermsen (1961) ook de levensloop van T.S. (Tom) Eliot en zijn vrouw Vivian, Virginia Woolf en haar man Leonard Woolf.
De Nederlandse Martha Thompson, in Amsterdam gouvernante van beroep, loopt de crème de la crème van het interbellum min of meer toevallig tegen het lijf tijdens een speurtocht naar haar spoorloos verdwenen Engelse vader, die roemloos ten onder lijkt te zijn gegaan in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog. Toch is deze zoektocht bijzaak. De ontdekking dat de vader op de slagvelden weliswaar zwaargewond is geraakt maar pas overleden is in een Engels werkkamp, doet geen dienst als krachtige of verrassende ontknoping van de plot. De zoektocht is de concrete tegenhanger van de theoretische vraagstukken die in het boek aan de orde komen, bijvoorbeeld over de verhouding tussen kunst en leven, kunst en politiek, kunst en geloof.
Zo besteedt Hermsen nogal wat aandacht aan de bekering van T.S. Eliot en zijn gedachten over het geloof als de noodzakelijke religieuze component van de kunst. ,,Er bestaat geen kunst zonder religieuze inslag, denkt hij. Te lang heeft men dat willens en wetens veronachtzaamd. Niet dat hij een pleidooi voor bewust christelijke kunst wil houden -dat levert slechts kitsch en clichés op- maar wel wil hij de onderlinge verbondenheid tussen religie en literatuur laten zien.'
Hoewel Eliot deze zin denkt terwijl hij een confessio over het geloof schrijft en zijn ideeën dus precies probeert te formuleren, is de gedachte nogal boekig gesteld. Dat probleem doet zich vaker voor: 'Tweeduister' ademt de bronnen waarop het is geënt. Dat is niet zo gek voor een geromantiseerde biografie; vraag is dan wel of het boek als roman geslaagd is.
T.S. Eliot en de andere mastodonten uit het Engelse literaire leventje blijven papieren personages, opgebouwd uit biografische anekdotes en citaten uit hun eigen oeuvre. Natuurlijk heeft de auteur haar fantasie botgevierd op het bronnenmateriaal, maar het lijkt alsof ze er vooral logische gevolgtrekkingen uit heeft getrokken.
Wanneer Eliot aan het einde van de roman neerknielt in een twaalfde-eeuwse Maria-kapel staat er dat hij ,,rust en stilte' over zich voelde komen. Geen wonder, voor een religieus getalenteerde is zo'n kapel een zegen. Maar had de schrijfster het ons niet meegedeeld, we waren niet op het idée gekomen. Want meneer denkt onverdroten voort: ,,Als God nu, hier, wel aanwezig zou zijn, zou hij met hem durven spreken. Maar dat is niet zo. Het goddelijke mysterie is er een van verlatenheid, niet van vervulling.' Ondanks Gods afwezigheid vouwt Eliot de handen en begint te bidden. Zijn gebed getuigt van literaire begaafdheid, maar van weinig religieus besef. ,,Als de kraaien klapwiekend opstijgen uit het veld, hoor ik ze niet. Als de honing haar zoete walmen verspreidt, ruik ik het niet. Of de zon nu opkomt of ondergaat, ik merk het niet. Niets kan mij afbrengen van de weg naar beneden, die dezelfde weg is als de weg naar boven.'
Het kan best zijn dat Hermsen dit gebed heeft gebaseerd op citaten van Eliot, het kan zelfs zo zijn dat ze hier een bestaand gebed citeert -ik weet het niet-, maar ze construeert zo niet het beeld van een ingekeerde bidder.
Telkens opnieuw krijg ik het idee dat ik niet om een hoekje mag luisteren naar de gedachtes of de dialogen van de personages, maar dat die personages voor mij aan het denken en het praten zijn geslagen. Hierdoor krijgt het boek het karakter van een college twintigste-eeuwse letterkunde, een groots college -voorzover ik het kan beoordelen-, dat prachtige literaire en filosofische inzichten biedt, en zelfs een introductie kan zijn op het oeuvre van T.S. Eliot of Virginia Woolf. Dit moet ook de reden geweest zijn dat ik me op het boek verheugde zodra ik het had weggelegd. Meer van deze schrijvers! Maar je zult 'Tweeduister' wel als biografie moeten lezen, en niet als roman, want dat leidt uiteindelijk tot teleurstelling.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.