recensie UTRECHT - Is de oude-muziekbeweging op sterven na dood? Je zou het haast gaan denken na de eerste dagen van het Utrechtse Festival Oude Muziek. De programmeermoeheid die het festival teistert, stak in het openingsweekend vooral de kop op in het mager uitgepakte IJsland-thema en het trendvolgende karakter van andere concerten. Toch gloorde er licht in de archaïsche duisternis.
Met de wetenschap dat het klimaat in het middeleeuwse Nederland zó warm was dat er lange tijd wijn kon worden verbouwd, zou je de temperaturen in het openingsweekend van het Festival Oude Muziek 'authentiek' kunnen noemen. De tropische warmte was bij sommige musici verantwoordelijk voor steeds ontstemmende snaren, en stelde het publiek op de proef.
Misschien waren de bezoekers tijdens eerste dagen van de twintigste festival-editie dáárom niet zo enthousiast als andere jaren, al kan een zekere sleetsheid in de programmering daar ook de oorzaak van zijn geweest. Toegegeven: na twintig jaar is het niet eenvoudig om met wat nieuws voor de dag te komen, en de top-ensembles in de authentieke sector zijn onbetaalbaar geworden.
Dit jaar ook geen spetterend openingsconcert, al deed het sympathieke Al Ayre Espagnol zijn best om Antonio Literes' verdienstelijke Spaanse barok-opera 'Acis y Galatea' met vuur over het voetlicht te brengen. Prachtige rollen van Marta Almajano (daadkrachtige Galatea), Olga Pitarck (feeërieke Glauco) en Jordi Ricart (komische Polifemo) konden niet verhullen dat de strijkers jammerlijk vals speelden.
Belangrijk thema is dit jaar IJsland, een onderwerp waar weinig vlees aan bleek te zitten. De uitvoeringen bewogen zich tussen Ensemble Embla (klederdracht-kwartet met de beste bedoelingen, maar beter op zijn plaats in een demonstratie kantklossen) en countertenor Sverrir Gudjunsson, die een hip-mystieke versie gaf van de volkse drink- en liefdesliederen, als betrof het een kerkdienst.
Hoogtepunt van het IJsland-thema was ongetwijfeld Benjamin Bagby's vertolking van de 'Edda', IJslandse mythes die in de Middeleeuwen voor het eerst werden opgeschreven en die raakvlakken hebben met het Nibelungenlied. Onder de festivalbezoekers raakte Bagby vooral bekend door zijn vertolking van 'Beowulf', zo'n tien jaar geleden. Het 'verhalen-vertellen-met-muziek' op de manier van de oude Keltische barden zette destijds de trend van het 'storytelling' in gang. Onder invloed van Bagby werden op een zelfde manier de stokoude verhalen uit andere landen tot leven gebracht, zoals de Spaanse 'Cantigas de Santa Maria'.
Was 'Beowulf' nog bepaald 'basic', zoniet deze aangeklede versie van de 'Edda', zaterdag in de afgeladen Utrechtse Stadsschouwburg. Op het donkere podium, geflankeerd door twee grote meelees-monitoren, liet de Japanse regisseur Ping Chong de vijf musici op plateaus naar voren rijden als ze aan het woord kwamen. Gezeten op stoelen en ritueel gebarend had de aangrijpende vertelling nog het meest weg van een gestileerde Japanse Noh-voorstelling. De enige storende factor was de zieneres die bij tijd en wijle over het podium schoof: een druk gesticulerende blauwe smurf, met witte Frygische muts, strorokje en drie paar borsten.
Bagby was overtuigend: zijn pakkende verteltrant en de ijle vedel- en liertonen hielden het publiek ruim anderhalf uur in de greep.
Puristen stelden zich achteraf de vraag of zo'n aanpak wel mocht. Immers: de 'Edda' is zonder muziek overgeleverd en Bagby's versie is welbeschouwd een slag in de lucht. Toch zou dit weleens één van de weinige verrassende concerten in deze verder wat bleke festivalweek kunnen zijn.
De IJslanders in het publiek kloegen achteraf vooral over de uitspraak van de Amerikaan Bagby en zijn ensemble Sequentia. Maar ja, als je Sequentia's krachtige optreden vergeleek met hun eigen braderie-groepje Embla of de modieuze mystificaties van Sverrir Gudjunsson, dan kon je eigenlijk maar één conclusie trekken: laat de IJslandse muziek maar over aan buitenlanders.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.