recensie Een concert van een strijkkwartet kan een luisteraar in lichte verlegenheid brengen. In sommige gevallen gaan de musici zo in zichzelf op dat het publiek deelgenoot lijkt te worden van een intimiteit waar het buiten staat. Alsof het per ongeluk achter een gordijn een geheim gesprek afluistert.
Althans, zo gaat het in een kwartet dat intens samenspel en een gemeenschappelijke gemoedstoestand tot het hoogste doel heeft verheven. Woensdag was dat het geval. In de kleine zaal van het Concertgebouw speelde het Párkányí Kwartet, beter bekend als de opvolger van het Orlando Kwartet. Drie van de oprichters voor dit roemruchte kwartet, István Párkányí (viool), Heinz Oberdorfer (viool) en Ferdinand Erblich (altviool), pakten de draad weer op, aangevuld met de cellist Michael Müller.
Tijdens dit concert bleek dat dit kwartet zich vooral concentreert op intens samenspel, op luisteren en op reageren op elkaar. Het Párkányí Kwartet speelde niet alleen gelijk, het ademde zelfs gelijk. Dat er publiek bij was, leek er niet echt toe te doen.
De geconcentreerde samenwerking bleek het sterkst in het strijkkwartet opus 18, nummer 1 van Beethoven, waarin de perfecte balans en ritmische precisie het meest tot hun recht kwamen. Maar ook in Schuberts 'Quartettsatz' en Dvoráks 'Strijkkwartet in F opus 96' klonk het kwartet als een eenheid. Iets meer extroverte uitbundigheid had de betovering compleet kunnen maken.
Het Petersen Kwartet, dat een dag later in dezelfde zaal speelde, is het tegenovergestelde van het Párkányí Kwartet. Met kwajongensachtige bravoure laten deze musici hun kunsten zien aan het publiek. Deze musici kiezen er in de eerste plaats voor de muziek natuurlijk te laten stromen en laten de luisteraar delen in hun speelvreugde. Hun onbevangenheid werkte aanstekelijk, maar in Haydns eerste strijkkwartet uit opus 20 ging het wel ten koste van de precisie. In Beethovens zesde kwartet uit opus 18 en Schuberts kwartet 'Der Tod und das Müdchen' verbeterde dit. Beide werken werden stevig neergezet, met scherpe accenten en pittige ritmes. Deze aanpak werkte beter in de snelle delen dan in de langzame. De vuurproef voor dit kwartet lag daarom niet in het virtuoze laatste deel dat in deze uitvoering wel heel opwindend uitpakte, maar in het langzame deel, waarin Schubert op zijn lied 'Der Tod und das Müdchen' een aantal variaties maakte. Daar schoot hun stormachtige spel het doel voorbij en was een ingetogener lyriek op zijn plaats geweest.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.