*

 

Je wilt wel dichten, maar niet te erg

PETER DE BOER − 21/04/01, 00:00

recensie De gedichten in 'Buiten adem' van Harmen Wind zijn typisch het product van de middelbare leeftijd. Hun muze is geen mooie jonge meid meer, maar ook nog geen oude bes. En voor wie het nog niet doorhad wil de dichter het nog wel even nadrukkelijk uitspellen: 'Jaren des onderscheids / verbinden ons'. Het midden des levens: de herinneringen stapelen zich op en de laatste illusies worden buiten de deur gezet. 'Wat van dromen resteert is / het oude tekort', sombert Wind, en dat klinkt middelbaar genoeg. Eenzaamheid, verlangen en dood geven de toon aan en alleen de liefde kan sporadisch tegenwicht bieden.

Hoewel de titel anders suggereert zijn de gedichten in 'Buiten adem' verre van adembenemend. Wind is bepaald geen hardloper, nooit geweest ook trouwens, maar ditmaal legt hij het er wel erg dik bovenop. In kalme wandelpas voert hij ons langs de diverse manifestaties van het menselijk tekort. Hij versnelt nergens, is wijs genoeg om zijn onzekerheden niet te verbergen en houdt als het enigszins kan de kerk in het midden. Ter illustratie het korte gedicht 'Voorbehoud':

'Je wilt wel dichten, maar niet

te erg. Je wilt de heldere regels,

niet de sprong in het duister, de

stilte van de binnenplaats, niet

het rumoer van de straat; je wilt

zwerven, niet verdwalen; je wilt

getroffen worden, niet kapot.'

Zelden zie je een dichter zo opzichtig en doelbewust op het veilige midden aankoersen als hier het geval is. Bij 'wel dichten, maar niet te erg' kan ik me eerlijk gezegd weinig voorstellen, maar voor de rest komt de boodschap wel over. Voor het 'krakeel' en de 'krijgersyell' van een Ilja Leonard Pfeijffer moet je bij Wind, zoveel is duidelijk, niet zijn. 'Zingen doen alleen de dollen', schrijft hij in een ander gedicht.

Ik weet niet wat me het meest aan dit gedichtje verbaast: de openlijk beleden braafheid en risicoloosheid, of het sluw calculerende karakter ervan. Het gedicht wil van álles, behalve de prijs betalen die daarvoor staat. Maar je kunt nu eenmaal niet 'getroffen' worden zonder de pijlen waarmee dat gebeurt -of die nu van de liefde of de dood afkomstig zijn- voor lief te nemen.

Niet alleen in dit rare gedicht, maar over de hele linie is deze bundel een klasse minder dan we van Wind gewend zijn. Ook in het verleden nam hij in zijn eloquente klaagzangen vaak kleine, voorzichtige pasjes. Toch zorgden zijn verrassende, licht surreële beeldspraak en zijn (wrange) humor daar voor prettige contrasten. Van dit laatste is in 'Buiten adem' weinig meer over. Het is allemaal vlakker en eendimensionaler geworden. Er staat wat er staat en het heeft er veel van weg dat Wind iedere dubbelzinnigheid wil vermijden. Er wordt weinig aan de verbeelding van de lezer overgelaten, al kan dat op zich nog wel mooie regels opleveren, zoals deze herinnering aan de stoere werkmanshanden van de vader: 'Zijn handen, gemaakt om te breken, te bouwen, / met eeltige vingers, geschaafd en gekloofd, / vloekend met zondagse overhemdsmouwen; / handen, voorgoed van hun handwerk beroofd, / nog voor elke maaltijd aandachtig gevouwen; / hoe heilig heb ik in zijn handen geloofd'. Het zijn ontroerende en veilig in de weemoed ingekapselde regels waarin voor het overige niets gebeurt. En zeker niets verrassends. Het gedicht prikkelt nergens tot het stellen van vragen en zélf verlangt het van de lezer eigenlijk maar één ding: om in te stemmen met de berustende mores die bij de weemoed past.

Had Wind bij de beschrijving van deze handen voor de verandering maar wél eens wat meer risico genomen en de sprong in het duister gewaagd. Nu liggen die geliefde handen er in de schrijn van die zes regels al voor dood bij. Dit verbaast me temeer omdat Wind zich in het verleden steeds zeer kritisch heeft opgesteld tegen het idee dat de kunst het vergankelijke leven kan vastleggen en 'vereeuwigen'. In zo'n 'vastgelegd' voorval of portret is de tijd immers weggeschreven en tref je geen sprankje van het echte leven meer aan. Ook in deze bundel brengt Wind die visie onder woorden, zij het indirect, in de vorm van een nu eens wel suggestief te noemen natuurgedicht. Het heet 'Ogenblik':

'De stilte klinkt

mij aan dit zicht:

de halmen filigraan,

de rietkraag gietijzer,

de plas gewalste plaat.

Zo roerloos blinkt de

ochtend naar de nacht.

Gelukkig duikt op

tijd een meerkoet

uit het zink. Prompt

slaat de toren acht.'

De eerste strofe legt de werkelijkheid keihard vast. Er komt zelfs gietijzer en staalplaat aan te pas. Daarmee is dit natuurtafereel echter tegelijk zo doods als een stilleven maar zijn kan. Is dat wat we van de kunst verlangen? Nee, zo blijkt uit de tweede strofe. Want 'gelukkig' duikt daar een meerkoet uit de plas op die weer leven in de brouwerij brengt. Sterfelijk leven ongetwijfeld, want prompt laat ook de tijd weer van zich horen. De achterliggende gedachte van dit gedicht is waarschijnlijk dat de dichter niet te eenzijdig moet willen conserveren, want dan houdt hij slechts doodse relicten over. En dat is dan precies wat ik tegen veel andere gedichten in deze bundel heb: dat ze zich in risicoloze weemoedscocons inspinnen en daarbij het sterfelijke, warme leven de pas hebben afgesneden. Als dat het resultaat is van Winds bovengeciteerde 'Voorbehoud', dan moeten we dat voorbehoud ten stelligste afwijzen.

mailIcon print |