recensie Waarom Ian Buruma zijn boek 'Anglomanie' noemde en niet 'Anglofilie', is op het eerste gezicht niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk om behalve de anglofielen ook de anglofoben binnen te sluiten, die immers ook aan een soort 'Engelse ziekte' lijden. Maar de nadruk ligt duidelijk op Engelandliefde in al zijn vormen. Zo'n boek kan alleen maar geschreven worden door iemand die aan dezelfde verschijnselen lijdt en dat doet Buruma onmiskenbaar.
Hij is geboren uit een Nederlandse vader en een Engelse moeder, groeide op in Nederland en woont tegenwoordig in Engeland; een gespleten achtergrond dus die het juiste zaad levert voor een anglofiel want om dat te kunnen zijn mag je natuurlijk geen geboren Engelsman zijn maar moet je wel als outsider naar die gezegende positie kunnen hunkeren. Geen wonder dus dat Buruma zichzelf nogal 'Engels' op de achterzijde van zijn boek laat afbeelden, met een nonchalant om de nek geworpen shawl en een krant in zijn hand.
'Anglomanie' biedt geen uitputtende geschiedenis van de anglomanie, maar levert daar met haar 'capita selecta' wel nadrukkelijk materiaal voor aan. Buruma begint zijn overzicht met Voltaire en eindigt in een enigszins omineus getiteld hoofdstuk 'De laatste Engelsman' met de in 1998 gestorven filosoof Isaiah Berlin. Daartussen komen alle mogelijke historische figuren aan bod die aan anglofilie of -fobie hebben geleden, maar Buruma betrekt ook nadrukkelijk zichzelf erbij en dat bepaalt het perspectief van dit boek.
Buruma's Engelse voorouders waren Duitse Joden die naar Engeland emigreerden om daar Engelser dan de Engelsen te worden en dat is ook het lot van de meeste hoofdpersonen in dit boek: ze verlangen vanuit ontheemde posities naar de insulaire vrijheid die Engeland ze biedt. Als een rode draad loopt door dit overzicht dan ook de geschiedenis van het Europese jodendom en het antisemitisme want veel ontwikkelde Joden zochten in moeilijke tijden hun heul in Engeland, waar je als Jood nota bene in de adelstand verheven kon worden (Rothschild) of zelfs minister-president (Disraeli).
De Franse anglofiele historicus Taine, wiens werken zoals 'Aantekeningen over Engeland' en 'Geschiedenis van de Engelse literatuur' een centrale rol in de anglofilie hebben gespeeld, betoogde dat de Franse aard van oorsprong Grieks was, en bepaald door estheticisme; de Britse, noordse en protestantse, zou daarentegen Hebreeuws zijn: praktisch, zonder die behoefte aan schoonheid.
Centraal in het Engelandbeeld van de liefhebbers staat 'de overtuiging dat de mens in de eerste plaats een vrije, moreel verantwoordelijke persoon' is. Zulke idealen trok mensen als de Franse baron de Coubertin aan, die vol vage platonische idealen het oorspronkelijk nogal Engels aandoende sportideaal probeerde over te planten op de Fransen en die uiteindelijk de moderne Olympische Spelen zou opleveren, waarop (merkt Buruma subtiel op) de bobo's er trouwens nog altijd als Engelse gentlemen proberen uit te zien.
Die vrije Engelse mens was ook wat een vermoeide revolutionair als Alexander Herzen of de zionist Theodor Herzl aantrok, die een nieuwe Joodse staat op het Engelse model wilde baseren. En het was misschien ook precies wat Keizer Wilhelm II, met zijn Engelse moeder en grootmoeder en een duidelijk onderdrukte anglofiele belangstelling voor de knusse Victoriaanse kanten van de Engelse samenleving, erin tegenstond: het was hem niet gedisciplineerd genoeg. Ook Buruma zelf lijkt het vooral te gaan om zulke deugden van de Engelse identiteit als gevoel voor Orde, Stand en Vrijheid.
Als het erom gaat het moeizame huwelijk tussen Engeland en Europa te beklinken, gokt hij er zelfs op dat de continentale anglofiele kuststrook die hij ontwaart van de Baltische kust tot aan Portugal, er garant voor zal staan dat het Engelse DNA ook in een verenigd Europa zal overleven. Dat alles neemt niet weg dat een groot deel van de door hem beschreven anglofilie irrationeel is en niet helemaal verklaard wordt door het voorbeeld van die bewonderenswaardige vrije Engelse mens.
In zijn hoofdstukken over de aantrekkingskracht van het Engelse kostschoolleven, of de Engelse sportbeoefening, proef je wat een even grote invloed in de voorliefde voor Engelse cultuur kan zijn: het excentrieke en insulaire karakter van de Britse eilanden. Wat in dat verband mijns inziens duidelijk onderbelicht wordt in Buruma's verhaal is de voorkeur van veel continentale anglofielen voor bijvoorbeeld de Engelse humor (Monthy Python) of het onmiskenbaar Engelse realisme van Coronation Street.
Wie de diverse anglofielen in dit boek volgt, komt erachter dat ze in feite steeds uit verschillende motieven anglofiel zijn. Voltaire was aangetrokken door de vrijheid van denken maar ook door het typisch Engelse verschijnsel van de dandy. Van iemand als Shakespeare, die hij een onordelijke, vulgaire toneelschrijver vond, moest hij daarentegen niks hebben. Goethe en de gebroeders Schlegel daarentegen liepen weer weg met Shakespeare.
De Duitse tuinarchitect Vorst Puckler was een echte anglofiel, die op zijn kale gronden in Pruisen heuse Engelse tuinen liet aanleggen; hij was ook een dandy maar had toch bepaald een hekel aan de Engelse dandy's, die would-be waren en zonder aristocratische allure. Er waren er ook die niet zozeer voor de Engelse maatschappij en haar mentaliteit belangstelling hadden alswel voor de romantische allure, de hang naar woeste heldenverhalen en mythische plaatsen.
Terecht maakt Buruma hier een onderscheid tussen Engeland- en Schotlandliefde. De negentiende-eeuwse vastelanders die bijvoorbeeld naar Fingals grot gingen, zoals Mendelssohn die er zijn Hebriden-ouverture opdeed, deden dat uit liefde voor het huiveringwekkende dat in Engeland zelf veel minder bon ton was. Per slot van rekening hadden ze daar hun eigen Byron, hét voorbeeld van de romantische held, lelijk verguisd. Kortom, als er iets duidelijk wordt uit dit boek, is dat er niet één centrale of overheersende vorm van anglofilie bestaat. Buruma heeft duidelijk de juiste historische en antropologische belangstelling maar hij weet toch niet helemaal de vinger op de zere plek van de anglomanie te leggen. Eigenlijk vind ik dat wel charmant. Er zit iets redeloos in die liefde voor Engelse zondagen, voor cricket, kostscholen of een pastorie op het platteland, voor Biggles en Billy Turf, voor de typisch Engelse vrijheid en democratie. Maar dat maakt het er allemaal niet minder hevig en acuut van, zoals het bij een goede manie hoort.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.