recensie De Frans-Algerijnse Assia Djebar is een productief en veelzijdig schrijfster - overigens is ze ook historica en filmmaakster. Eind november kwam Djebar in het nieuws door 'Aicha en de vrouwen van Medina', een opera gebaseerd op een verzameling teksten over vrouwen rond de Profeet: 'Ver van Medina' (1993). Het Onafhankelijk Toneel moest de in het Arabisch vertaalde opera, gepland voor 'Rotterdam culturele hoofdstad 2001', afgelasten, omdat de Marokkaanse zangers en de actrice Saida Baadi op het laatste moment afzegden. Ze werden onder druk gezet door moslimorganisaties in Nederland en Marokko die zich eraan stoorden dat de vrouw van de profeet werd afgebeeld. Volgens veel moslims is dat verboden.
In de meest recente vertaling van Djebars werk, 'Nachten in Straatsburg', gaat de schrijfster verder op de weg die ze ook al met 'Oneindig is de gevangenis' bewandelde: feit en fictie worden op ingenieuze wijze met elkaar verweven. 'Oneindig is de gevangenis' deed verslag van Djebars zoektocht naar Libische inscripties uit de oudheid op grafmonumenten aan de grens met Algerije. Vermoedelijk gaat het daarbij om het Berbers dat ooit een schrijftaal was, maar nu alleen nog gesproken wordt. De zoektocht werd verweven met autobiografische fragmenten over het verlangen van een getrouwde vrouw naar een ongrijpbare man.
Ook in 'Nachten in Straatsburg' loopt een (korte) liefdesgeschiedenis van een Algerijnse vrouw en een Fransman als een rode draad door het verhaal. Dat verhaal is gebaseerd op een aantal historische feiten zoals de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog en de evacuatie van de bevolking van Straatsburg aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Het boek begint met de uittocht van een reusachtige schare daklozen en hun schamele bezittingen uit Straatsburg.
Het kan verbazing wekken dat een van oorsprong Algerijnse schrijfster die een berbers dialect kent, parallellen trekt tussen de recente geschiedenis van haar vaderland en die van de Elzas, een streek die tussen 1870 en 1914 Duits was. Er zijn echter wederzijdse betrekkingen tussen beide gebieden. Veel Elzassers zijn als migranten vanaf 1870 naar Algerije getrokken, en in de Elzas wonen weer veel Algerijnse immigranten.
Het hoofdpersonage in 'Nachten in Straatsburg' heet Thelja (sneeuw). Ze is een Kabylische uit Oost-Algerije die haar echtgenoot en zoontje in haar vaderland heeft achtergelaten om in Parijs aan een proefschrift te werken. Dat gaat over een abdis uit de twaalfde eeuw, Herrad van Landsberg, die in Straatsburg leefde en werkte in een benedictinessenklooster. Herrad schreef onder meer een Elzassische encyclopedie in Latijns proza, doorspekt met Zwabisch Duits. Het origineel werd in 1870 verwoest door een bombardement van Pruisische granaten.
Thelja besluit het werk aan haar onderzoek te combineren met een bezoek aan haar in Straatsburg wonende jeugdvriendin Eve die uit hetzelfde dorp komt als zij en berbers-Joods is. Ze wandelt veel door de stad met haar middeleeuwse straatjes en indrukwekkende kathedraal: bijna iedere steen getuigt van geschiedenis. Op een nacht ontmoet ze een Fransman wiens leven getekend is door de Tweede Wereldoorlog. Thelja had nooit had gedacht dat ze van een Fransman zou kunnen houden, want haar vader werd tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog door Fransen weggevoerd en vermoord. Toch beleeft ze negen hartstochtelijke liefdesnachten met François, wiens eigen vader door de Duitsers werd weggevoerd en vermoord.
Zoals in Algerije de oorlog nooit echt verleden tijd is geworden, zo is ook in de Elzas het verleden nog springlevend. Tijdens een gezamenlijk bezoek aan Duitsland zegt François: ,,dus als je zegt vijftig jaar, dan is dat pas gisteren en juist hier, aan beide zijden van de Rijn, is vijftig jaar eigenlijk nog steeds vandaag! Natuurlijk, zoals je ziet is alles weer opgebouwd, althans wat de stenen betreft, staan er weer huizen en zijn zelfs de standbeelden weer op hun sokkels gezet... Maar de mensen? Zij stapelen laag voor laag hun tegenstrijdige herinneringen op en als ze klaar zijn, zwijgen ze.'
Djebar probeert die opeengestapelde tegenstrijdige herinneringen te ontrafelen. Ze vertelt niet alleen het verhaal van Thelja en François, maar ook dat van haar Joodse vriendin Eve en haar Duitse vriend, van de Algerijnse migrante Touma uit het Aurès-gebergte wier zoon zijn Franse vriendin vermoordt. Ze vertelt het verhaal van de Algerijnen, die 'Franse moslims' zoals ze door de Elzassers werden genoemd, die in de Tweede Wereldoorlog gedwongen werden voor de Fransen te vechten en die na de oorlog in Straatsburg onderdak vonden in een tehuis voor Noord-Afrikanen, geleid door een pater. En ze vertelt het verhaal van een Joodse vrouw uit de Elzas die wanhopig op zoek is naar haar onderduikmoeder. Zo ontstaat er een caleidoscoop waarin L'Alsace et l'Algérie versmelten tot Elzagerije, een land waarin mensen getekend zijn door oorlogen, vervolgingen en geweld, maar ook door liefdesbanden.
Gaandeweg krijgt het personage Thelja steeds meer mythische proporties. Ze doolt in de middeleeuwse steegjes van Straatsburg rond als een belichaming van al het gruwelijke en mooie dat zich ooit in de stad heeft afgespeeld. Aan het eind van het boek fantaseert ze dat ze tot hoog in de klokkentoren van de kathedraal klimt en het daar uitschreeuwt, vanaf de top van de blinkende spits die als een reusachtig opgestoken vinger op het hoogste dak van Europa staat.
Assia Djebar voltooide 'Les nuits de Strasbourg' in 1997, toen zich in haar vaderland een gruwelijke burgeroorlog afspeelde. Het geweld in Algerije duurt nog steeds voort. Het zal geen toeval zijn dat het boek eindigt in een wanhoopskreet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.