*

 

Eerste festival rond Hollandse stadsorgel

Christo Lelie − 10/05/01, 00:00

recensie Morgen begint in Amsterdam, Alkmaar en Leiden het festival 'Gouden Eeuw in Klank'. De drie meest representatieve Hollandse stadsorgels uit de Gouden Eeuw staan centraal.

De Gouden Eeuw was een periode van bijzondere bloei voor orgelkunst in de Noordelijke Nederlanden. Daarvan getuigen de composities van Jan Pietersz. Sweelinck en Anthoni van Noordt en kapitale orgels die in de hoofdkerken in de zeventiende eeuw werden gebouwd. Dit staat in schril contrast met het feit dat in diezelfde tijd de orgels tijdens de gereformeerde kerkdiensten moesten zwijgen. De synode van Dordrecht van 1574 stelde het orgel op één lijn met heiligenverering, altaren en andere aspecten van het 'paapsche' verleden.

Dat desondanks de orgelcultuur niet ten onder ging maar opbloeide, was te danken aan de wereldlijke overheid. Het waren namelijk de stadsbesturen die als eigenaars van de orgels verboden dat ze verkocht werden. Ook lieten ze tijdens de beeldenstorm beschadigde orgels repareren en stelden ze organisten aan die de 'stadsorgels' buiten de kerkdiensten om in concerten moesten bespelen.

Zo werden de kerken de concertzalen van de Gouden Eeuw. Dit gegeven is het uitgangspunt van het muziekfestival 'Gouden Eeuw in Klank', dat zich vanaf morgen een week lang in Amsterdam, Alkmaar en Leiden zal afspelen. Centraal in de concerten met zeventiende-eeuwse instrumentale en vocale barokmuziek staan de orgels in de Pieterskerk te Leiden, de Nieuwe Kerk te Amsterdam en de Grote of Laurenskerk te Alkmaar. Dit zijn de drie meest representatieve Hollandse stadsorgels uit de Gouden Eeuw. Deze instrumenten kunnen laten horen dat het muziekleven in de Gouden Eeuw evenzeer floreerde als de schilderkunst, literatuur of architectuur.

De investeringen van de stadsbesturen in kerkelijke zaken stamden al van ver voor de alteratie. Weliswaar was in die tijd de rooms-katholieke kerk eigenaar van de kerkgebouwen, maar het college van kerkbestuurders werd ook toen al benoemd door het stadsbestuur, dat een soort opperkerkbestuur was. Dit had het laatste woord als het om de aankoop van altaarstukken, koorbanken of orgels ging en betaalde daar ook meestal dik aan mee.

Na de alteratie, die in 1772 begon met de val van Den Briel, werd de invloed van de stadsbesturen in de van de rooms-katholieken onteigende kerken aanzienlijk vergroot. Opvallend is dat in veel hoofdkerken gloednieuwe orgels werden neergezet of oude instrumenten uitgebreid en gemoderniseerd werden, terwijl het nog jaren zou duren voordat deze in de erediensten gebruikt zouden worden. Het Schonat/Van Hagerbeer-orgel in de Amsterdamse Nieuwe Kerk werd bijvoorbeeld in 1655 gebouwd en in 1673 uitgebreid. Pas in 1680 ging men het inzetten in de kerkdiensten. Zo zijn er tal van voorbeelden. Leiden ging al in 1636 overstag, ook hier zat het stadsbestuur achter: het stelde het kerkbestuur voor een voldongen feit.

Dit alles toont hoeveel invloed de magistraat in de kerk had. En hoeveel belang deze er aan hechtte dat in de belangrijkste kerkgebouwen van de stad de grootste en modernste orgels stonden. Vooral in het welvarende Holland speelde de rivaliteit tussen de steden daarbij een rol. Dat blijkt uit het vele geld dat werd gestoken in de vormgeving van de orgels, die ware prestige-objecten werden: de beste beeldhouwers en architecten, zoals Jacob van Campen, werden ingehuurd om ze een monumentaal uiterlijk te geven. De kassen werden voorzien van luiken, die zowel aan de buiten- als de binnenzijde rijkelijk beschilderd waren, zoals nu nog in de Nieuwe Kerk te Amsterdam en in Alkmaar te zien is.

Dat de orgels meer dan een statussymbool waren voor de magistraat, blijkt uit de uitgebreide taak die de stadsorganisten kregen toebedeeld. In sommige steden, zoals in Leiden, moesten ze iedere werkdag een orgelbespeling van een uur geven. 'Des Avonds om sess uren roept men ledige ende onledige ter Kercken, met een statig geschall deer Orgel-pijpen', schreef Constantyn Huygens in 1641 in zijn pamflet 'Gebruyck of Ongebruyck van 't Orgel in de Kercken der Vereenigde Nederlanden'.

Het doel van deze 'concerten' was tweeledig. Ten eerste vormde orgelmuziek een klankdecor in de belangrijke sociaal-culturele ontmoetingsplaats die de kerk in die tijd was. Ten tweede hadden de orgelbespelingen een educatieve functie. Na de alteratie hadden het gregoriaans en de polyfone koorzang afgedaan. Om te voldoen aan de behoefte het geloof in muziek te beleven, werd het gezamenlijk zingen van de Geneefse psalmen ingevoerd. Dat gebeurde zonder orgelbegeleiding, wat bepaald niet meeviel. Zo signaleerde Huygens dat er 'meer gehuylt en geschreeuwt dan menschelyk ghesongen werde.'

Om dit te verbeteren kregen de organisten de opdracht het publiek vertrouwd te maken met de psalmmelodieën door daarop te improviseren tijdens hun concerten. Zij ontwikkelden een heel arsenaal aan technieken om de 'psalmvooisen te breecken', zoals het maken van variaties genoemd werd. De zestiende-eeuwse orgels bleken daar niet zo geschikt voor. Daarom werden nieuwe registers ontwikkeld, die het aantal klankkleuren sterk uitbreidden en die geschikt waren om een melodie uitkomend te laten horen.

Dankzij de beschermde status van ambtenaar en het aanzien dat zij als kunstenaars genoten, konden de organisten een ongekend hoog artistiek niveau bereiken. Een van hen, Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1621) -de Rembrandt van de Nederlandse muziek- zou zelfs een trekpleister worden voor buitenlandse muziekstudenten.

Naast improvisaties speelden de zeventiende-eeuwse organisten ook werken van zowel Nederlandse als buitenlandse componisten. Sinds enkele jaren geleden in de Leidse Universiteitsbibliotheek de catalogus van de muziekboeken van de Leidse organist Cornelis Schuyt werd ontdekt, heeft men een beeld gekregen van wat een stadsorganist zoal uitvoerde. Schuyts bibliotheek bevatte instrumentale en vocale werken van onder anderen de Hollander Hendrick Spuy, de Italianen Girolamo Diruta, Claudio Merulo en de Duitser Bernhard Schmidt. Aangezien Schuyt ook zangleraar was, kan worden aangenomen dat hij zijn leerlingen inzette om vocale werken uit te voeren, zoals het in die tijd ook gebruikelijk was dat blazers met de organist optraden. Dit alles rechtvaardigt dat in het festival 'Gouden Eeuw in Klank' naast Nederlandse muziek ook werken van Duitse, Franse en Spaanse barokcomponisten zullen klinken en niet alleen orgelmuziek.

mailIcon print |