*

 

'O, Tromp, men zal uw deught trompetten'

TON CRIJNEN − 20/01/01, 00:00

recensie Wie kent niet ten minste de namen van de zeventiende-eeuwse vlootvoogden Piet Hein ('z'n naam is klein, z'n daden benne groot') die op 7 september 1628 in de baai van Matanzas de Spaanse zilvervloot veroverde, en van Michiel de Ruyter, de man van de 'blauwgeruite kiel' en de befaamde tocht naar Chatham (1667)?

Maerten Harpertsz. Tromp noch diens zoon Cornelis, beiden eveneens zeventiende-eeuwse zeehelden, mogen zich in een gelijke, postume populariteit verheugen. En dat terwijl met name de vader tot de allergrootste admiraals kan worden gerekend die ons land ooit heeft gekend. Maar ook Cornelis bewees tijdens grote zeeslagen als die bij Lowestoft (1665), Schooneveld en Kijkduin (1673) zijn uitzonderlijke moed, groot zeemanschap en dito maritiem inzicht.

Reden voor Ronald Prud'homme van Reine, biograaf van De Ruyter, de twee Trompen aan hun relatieve vergetelheid te ontrukken. Temeer omdat aan hen nooit een echte biografie werd gewijd. Dat is opvallend. Beiden waren tijdens hun leven echte volkshelden, van wie talloze portretjes werden verkocht, verhalen de ronde deden en inspiratie voor gedichten uitging. ,,O, Harpertszoon', rijmde Joost van den Vondel, ,,ghij zijt ons harp! O, Tromp, men zal uw deught trompetten, waer 's hemels gunst ons zeevaert bouwt. U komt een scheepskroon toe van gout.' Zijn zoon, een fervente orangist, werd later evenzeer bejubeld.

Vanwaar dan die stilte na hun dood? Dat heeft, legt Prud'homme van Reine in zijn nieuwe boek uit, alles te maken met de misdragingen van verwanten en nazaten. Zo viel Harpert Tromp, broer van Cornelis en jarenlang afwisselend schepen en burgemeester van Delft, rond 1686 bij stadhouder Willem III in ongenade wegens politieke intriges, en werd schoonbroer Johan Kievit, ex-burgemeester en later advocaat-fiscaal van de Maasstad, in 1689 uit de Republiek verbannen omdat hij zich schuldig had gemaakt aan grootscheepse fraude. Prud'homme van Reine gaat zelfs zo ver (te ver!) een parallel te trekken met die andere in opspraak geraakte Rotterdamse burgervader: Bram Peper. Ook latere Trompen raakten bij forse schandalen betrokken.

De laatste levensjaren van Tromp jr. waren evenmin erg eervol. In 1683 was de overheid zijn aanmatigend optreden en het gezeur over financiële compensaties beu. Hoewel formeel, tot z'n dood in 1691, opperbevelhebber van de Nederlandse vloot kreeg hij geen enkel actief commando meer. Na zijn dood stuurden, in strijd met de gewoonte, noch de Staten-Generaal, noch de Staten van Holland en de admiraliteiten vertegenwoordigers naar de begrafenis.

Hoe anders verging het zijn vader. Die werd met pracht en praal in de Oude Kerk van Delft ter aarde besteld. Maar hij was dan ook bij leven een bescheiden man. Zijn afkeer van kapsones en de menselijke manier waarop hij ondergeschikten bejegende, bezorgden hem op de vloot de koosnaam Bestevaer ('grootvadertje') en maakten hem al snel tot een legende.

Waarom blijft hij dan toch in de nationale herinnering voortleven als een minder groot marineman dan De Ruyter? Dat ligt, aldus Ronald Prud'homme van Reine, aan het feit dat laatstgenoemde veel meer en spectaculairder gewonnen zeeslagen op zijn naam heeft staan. Tromp (1598-1653) boekte slechts drie grote wapenfeiten: het verslaan van een kapersvloot voor Duinkerken en de vernietiging van de (tweede) Spaanse armada bij Duins, allebei in 1639, plus de gewonnen slag tegen de Engelsen voor Dungess (1652).

In de eerste Engels-Nederlands-Zeeoorlog (1652-'54) leed hij nederlaag op nederlaag, inclusief de zeeslag bij Ter Heijde (10 augustus 1653) waar hij de dood vond. Deze echecs lagen niet aan hem, maar aan de burgerlijke overheden. Die stuurden hem op pad met kleinere, minder bewapende schepen -meestal haastig omgebouwde koopvaarders- dan waarover de vijand beschikte. Het was aan Tromps tactisch meesterschap te danken dat hij desondanks telkens wist te voorkomen dat de Vaderlandse vloot door de Engelsen in de pan werd gehakt. Al scheelde het soms maar een haar.

Tijdens het gevecht praktiseerde hij, als eerste in Europa, het achter elkaar (in kiellinie) varen en versterkte zo de vuurkracht van de vloot. Want bijna alle kanonnen stonden aan de breedtekant opgesteld. Wat dat betreft was hij een grotere vernieuwer dan later De Ruyter. Tromp verbeterde ook de discipline aan boord en maakte, in overleg met de jonge Hollandse raadspensionaris Johan de Witt, sinds 1652 een begin met de bouw van een vloot van echte oorlogsschepen. Hij legde hiermee de basis voor de reeks grote successen die admiraals als De Ruyter, Johan Evertsen en zijn eigen zoon na hem zouden behalen.

Wat Cornelis Tromp (1629-1691) betreft, die deelde, als gezegd, de moed en het maritieme vakmanschap van zijn vader. Hij miste echter het gevoel voor discipline, voor geduld, zelfbeheersing en tact die van iemand een echte leider maken. Een ijdeltuit en een parvenu -in 1667 huwde hij de schatrijke weduwe Margaretha van Raaphorst- stootte hij met zijn querulant optreden veel mensen van zich af.

Zo vond Tromp jr. na de dood van zijn vader dat hij, een 24-jarige schout-bij-nacht, meer recht op het commando over de vloot had dan de ervaren admiraal De Ruyter. Twaalf jaar later tijdelijk met het opperbevel belast kon hij het niet verkroppen dat hij de post weer aan hem moest afstaan.

Overigens vaardigde Cornelis Tromp tijdens die interim-periode een 'generale instructie' uit waarin de te volgen tactiek voor de oorlog ter zee nauwkeurig werd vastgelegd. Hij leverde hiermee een belangrijke bijdrage aan de systematisering en modernisering van het zeegevecht.

Zelf werkte hij zich door zijn eigengereidheid tijdens gevechten vaak in de nesten. Zo leidde Tromps eigenzinnig optreden er in augustus 1666 toe dat de Nederlandse vloot bijna de Tweedaagse Zeeslag tegen de Engelsen verloor. Een breuk met opperbevelhebber De Ruyter was het gevolg. Ruim zes jaar moest Tromp aan de wal blijven. Het leidde tot gevoelens van diepe haat jegens raadspensionaris De Witt, vriend en beschermheer van De Ruyter en twintig jaar lang de machtigste man in de stadhouderloze Republiek.

Die haat is, aldus Prud'homme van Reine, de reden geweest waarom hij niet alleen het plebs aanvuurde toen dat, op 20 augustus 1672 bij de Haagse Gevangenpoort, Johan en diens broer Cornelis op beestachtige wijze vermoordde -dat was bekend-, maar ook dat Tromp, met z'n zwager Kievit, de moord hielp voorbereiden. De bewijzen die de auteur aandraagt, zijn echter te indirect om echt te overtuigen.

De dubbele moord was het gevolg van de kritieke politiek-militaire situatie. Begin van dat rampjaar waren de legers van Münster, Keulen en Frankrijk ons land onverhoeds binnengevallen en hadden grote delen ervan bezet. Voor de kust kruiste een Frans-Engelse vloot die, na het vernietigen van de Nederlandse marine, invasietroepen aan wal moest zetten. Alle ellende leidde op 4 augustus 1672 tot de val van het staatsgezinde regime waarvan Johan de Witt dé exponent was geweest. Al eerder had men Willem III tot stadhouder van, op twee na, alle gewesten gemaakt.

Hij verzoende Cornelis Tromp met De Ruyter door de eerste stiekem het 'spoedige' opperbevel over de vloot te beloven. Samen versloegen ze de vijand in drie zeeslagen, waarna het invasiegevaar geweken was. Engeland, Münster en Keulen sloten een jaar later vrede, terwijl de Franse troepen het grondgebied van de Republiek moesten ontruimen.

Begin 1676 sneuvelde De Ruyter bij een expeditie tegen de Fransen, maar het duurde nog eens drie jaar voordat Tromp zijn droom eindelijk verwezenlijkt zag: het opperbevel over 's lands vloot (in de tussentijd had hij, op verzoek van de koning van Denemarken, de leiding over de Deense marine).

Veel plezier leverde zijn hoge functie hem niet op. Toen Willem III naast stadhouder in de Nederlanden ook koning van Engeland werd (1688) maakte hij de Nederlandse vloot ondergeschikt aan de Engelse. In 1691 stierf Cornelis Tromp, door iedereen verlaten, als een verbitterd man.

Prud'homme van Reine heeft de levensloop van de beide Trompen overzichtelijk, gedegen en redelijk vlot op papier gezet. Al blijkt hij, net als in zijn De Ruyter-biografie (1996), geen groot psycholoog. De karakters van de hoofdpersonen komen weer wat magertjes uit de verf.

Hetzelfde geldt voor de politiek-maatschappelijke context waarbinnen het verhaal zich afspeelt. Zo blijft de relatie tussen Maerten Harpertsz en Frederik Hendrik en die tussen Cornelis en Willem III schimmig. Ook zou het niet gek zijn geweest als de auteur een apart hoofdstuk had ingelast waarin hij wat dieper was ingegaan op het praktische reilen en zeilen op een oorlogsvloot in de Gouden Eeuw.

Voor de rest geldt, wat dit boek betreft, hetzelfde dat Cornelis Tromp op 8 juni 1673, na de eerste Slag bij Schooneveld, aan een van zijn zusters schreef: ,,Couragie. 't Sal waerachtigh wel gaan'.

mailIcon print |