*

 

Moby Dick, vervanger van God

PETER SIERKSMA − 20/01/01, 00:00

recensie Soms werken boeken als vulkanen. Jarenlang is het stil en dan opeens beginnen ze te rommelen en komt het tot een uitbarsting.

Neem nou Herman Melville's beroemde roman over de jacht op de witte walvis 'Moby Dick' uit 1851. Aanvankelijk leek het een mislukking. De kritiek was genadeloos, de verkoopcijfers matig totdat het boek in de jaren twintig van de vorige eeuw als meesterwerk werd herontdekt. Toen, in 1929, verscheen behalve de eerste serieuze biografie over de schrijver ook de eerste Nederlandse vertaling van J.W.F. Werumeus Buning. Een tweede vertaling volgde in 1954, het jaar waarin de beroemde Moby Dick-verfilming van John Huston met Gregory Peck in de hoofdrol als de verbeten walviskapitein Achab in de bioscopen draaide.

Hoewel de belangstelling daarna nooit helemaal verdween, duurde het tot de jaren negentig voor het grote publiek weer veel van Melville horen zou. Vooral na zijn honderdste sterfdag (28 september 1991) kwam er langzaam maar zeker een stroom publicaties op gang die vorig jaar tot een opmerkelijk hoogtepunt leidde. Ter illustratie: toen ik in augustus 1991 Melville's graf in New York op de grens van de Bronx en Yonkers bezocht, was er geen hond te bekennen en moest je goed zoeken om de steen met de ganzenveer tussen de bomen en struiken te vinden. Vorig jaar was dat in juni heel anders. Struiken waren weggekapt en op Melville's steen lagen tientallen kleine steentjes als eerbetoon aan de schrijver. Zijn graf was voor veel bezoekers blijkbaar een soort altaar geworden, waar de zegen niet mocht ontbreken.

Verschenen de afgelopen jaren al twee grote biografieën, vorig jaar was het echt bal. Werkelijk tientallen publicaties haalden de pers, waaronder vier bestsellers. Drie van die vier werden in het Nederlands vertaald: Tim Severins 'Speurtocht naar Moby Dick-De wraaklustige witte walvis', Nathaniel Philbricks 'Het hart van de zee-De tragedie van een walvisvaarder' en de roman 'De nachtwaker' van Frederick Busch, waarin de historische Melville als personage wordt opgevoerd.

Het eerste boek is vooral een avonturenboek, een reisboek waarin Severin -ook bekend van zijn navolgingen van beroemde zeetochten van Sint Brandaan en Thor Heyerdahl- de sporen van de reis van Achab in de Stille Zuidzee natrekt; het tweede een nauwgezette historische reconstructie van de ondergang van het schip de Essex onder aanvoering van kapitein George Pollard in 1820, waarop Melville zijn roman baseerde.

De roman van Busch is van een andere categorie, maar refereert direct aan het leven van de schrijver in de tijd dat hij, rond 1860, in de vergetelheid raakte en als douanebeambte in de New Yorkse haven de kost verdiende. Opmerkelijk in de als thriller opgezette roman is dat het beroep van de hoofdfiguur zelf verwijst naar het lot van de genoemde kapitein Pollard die na de mislukking van twee expedities zijn brood als nachtwaker moest verdienen. Het vierde boek van het rijtje is niet vertaald, maar kreeg vooral in Engeland lovende recensies; het is de bescheiden maar prachtig uitgevoerde monografie van de Amerikaanse literatuurcriticus Elizabeth Hardwick.

Zoveel mooie boeken aan één schrijver gewijd. Wat een jaar! Maar wat maakt de tijd zo rijp voor de Melville-hausse die we nu meemaken?

Om te beginnen de welvaart. Wie leest dat in New York een eerste druk van 'Moby Dick' meer dan 40000 dollar oplevert, weet dat het goed gaat met de economie. De consument heeft geld, maar de uitgever ook en dus kan er ook op specialistisch gebied een gokje gewaagd worden. Maar blijft de vraag waarom Melville zich vroeger uitsluitend mocht verheugen in de belangstelling van zeeliefhebbers, terwijl nu ook de gemiddelde Time-lezer (Philbricks boek haalde de boekentopvijf van het jaar van dat blad, vandaar) voor Melville naar de boekhandel rent.

Een tweede oorzaak is de toegenomen belangstelling voor het reizen. In 'Reislust-Op weg naar het paradijs en andere bestemmingen' legt Lucas Reijnders een link tussen de toegenomen welvaart, de drukte en onrust thuis, de behoefte aan een placebo voor de verdwenen traditionele religieuze beleving en de in de media ook constant benadrukte gedachte dat er veel moet, wil je nog een beetje meetellen. ,,God is voor velen dood of anderszins uit het zicht verdwenen. Bij onvrede over thuis de geestelijke weg naar God vinden is derhalve, anders dan in de Middeleeuwen, voor veel mensen geen optie meer. Dus ligt een onthaastingskuur in Praag meer voor de hand. Onder goedopgeleide dertigers was er anno 1999 een hausse in wereldreizen. Onveranderlijk wordt daarvoor als reden onvrede met het leven thuis opgegeven. Een reis ver weg is volgens de reisbureaus nodig als Vitamine V, het middel om te ontsnappen aan het drukke dan wel sleurige leven van alledag.'

Wie in dit licht 'Moby Dick' en al die nieuwe studies die als kleine bootjes rond Melville's grote walvis dobberen, leest, voelt dat alle door Reijnders benoemde elementen daar terugkeren. Tim Severin sleept de lezer mee naar de Stille Zuidzee en rekent als een goeie reisgids precies uit in hoeverre de gegevens in Melville's romans als 'Moby Dick' en zijn eerder verschenen bestseller 'Typee' met de werkelijkheid kloppen. Niet dus, merkt de brave en stoere Severin. Als Melville in 'Typee' zichzelf plus zijn maatje Toby in vijf dagen voor de plaatselijke kannibalen laat vluchten van Taiohae naar Taipivai, komt hij met de opmerking op de proppen dat Melville hier gelogen heeft: de wandeling duurt volgens de brave onderzoeker hoogstens zes uur!

Severin is een avonturier, een bink. In zijn spoor kun je tropische eilanden zien, mensen die van kannibalen afstammen, haaien en walvissen -vleugje Greenpeace-gevoel. De ironie is echter dat hij van literatuur en de functie van fictie weinig kaas heeft gegeten. Het lijkt in het moderne tijdsbeeld te passen. Steeds meer mensen lezen romans als reisgidsen. Navolging is hun plezier. Ze willen vooral zien wat anderen al gezien hebben. De wereldreizen van kapitein Achab lenen zich er uitstekend voor.

Minder avontuurlijk, maar dieper gaat Philbricks boek over het vergaan van de Essex in 1820, de geschiedenis waar Melville zijn mosterd vandaan haalde. Philbrick laat precies zien waar feit en fictie in 'Moby Dick' te scheiden zijn en hoe diep de walvisvaart in het leven op het Amerikaanse eiland Nantucket verankerd was. Jochies van negen jaar oud speelden thuis al de jacht op walvissen na door de kat met een vork aan een bolletje katoen te harpoeneren. Was de walvisvaart in de negentiende eeuw een economische noodzaak, nu is de geromantiseerde mythe ervan de bron van overvloed, die niet zeelieden maar massa's toeristen naar Nantucket doet komen. De harpoen heeft plaatsgemaakt voor het fototoestel. Sullig, maar het is niet anders.

Eén ding echter is niet veranderd en dat brengt me op een derde oorzaak. De fascinatie voor de kracht en schoonheid van het dier zelf. Nu de westerling de oude God van Abraham, Izaak en Jacob kwijt is, moet-ie het doen met meerdere kleine goden en de intrigerendste daarvan is de (witte) walvis. Multi-interpretabel als hij is, doet hij nog het meeste aan die verdwenen God denken. Of zoals Hardwick zegt: 'onschuldig als een maagdelijke bruid, hebzuchtig als een witte haai'. Als Achabs schip een ander schip tegenkomt vraagt de bemanning: ,,Hebben jullie de Witte Walvis gezien?' Het antwoord luidt dan: ,,Nee, we hebben alleen over Hem gehoord, we geloven helemaal niet in hem.' En dan begint de jacht. Kortom, Moby Dick lijkt wel voor deze tijd van rusteloosheid, projectie en psychologie geschreven.

Het treffendste voorbeeld ten slotte, is het pas in Duitsland verschenen essay 'Haut des Südens'. Michael Roes beweert daarin dat de strijd om de macht tussen Moby Dick en de oude Achab vooral een seksueel begeren uitdrukt. Dit in tegenstelling tot de (homo)seksuele en niet op overheersing gebaseerde vriendschap tussen de verteller Ismael en de Polynesische kannibaal Queequeg. Het klinkt fantastisch, want als je weet dat Queequeg nou juist harpoenier was, wordt de ballon snel doorgeprikt en zie je hoeveel onzin er ook bij een hausse boven komt drijven. In die zin is het niet anders als met de theologie. Voor je eraan begint, kun je het beste eerst het boek zelf lezen.

mailIcon print |