*

 

Boekenberg behandelt tobtrauma superslimme medemensMISKEND

ESTHER HAGEMAN − 08/01/97, 00:00

recensie 'Test zelf of u hoogbegaafd bent', roept de Vereniging Mensa de lezer vanaf de kaft tegemoet. Dat is de kaft van 'Hoera, ik ben hoogbegaafd!', een van de vele boeken over dit onderwerp die dit najaar op de Nederlandse markt verschenen. Hoogbegaafdheid is in trek en raakt door alle aandacht maar al te graag haar tobberige naam kwijt.

Komt hoogbegaafdheid tegenwoordig vaker voor dan vroeger? “Dat lijkt misschien zo, door de grotere aandacht”, zegt prof. dr. Pieter Span, die in Utrecht de PABU, een psychologische adviespraktijk voor begaafden heeft. “Maar het is niet anders dan met sommige ziektes of maatschappelijke problemen: 'meer aandacht' suggereert al gauw 'komt vaker voor dan vroeger'. In werkelijkheid is dat niet zo. Wel wordt de vraag vaker gesteld dan vroeger: zou mijn kind soms hoogbegaafd zijn? Maar het antwoord is niet vaker ja.”

Een precieze definitie van hoogbegaafdheid is niet eenvoudig te geven. Ooit noemde de Amerikaanse psycholoog Lewis M. Terman iedereen met een IQ boven de 140 een genie. Maar sinds Terman is de gedachte ingeburgerd dat er meer voor nodig is om iemand hoogbegaafdheid toe te schrijven dan alleen een hoge score op een IQ-test. “Een nieuwsgierig karakter, grenzen willen verleggen, niet bang zijn voor competitie, niet bang zijn voor samenwerking - pas wanneer je dat soort karaktertrekken óók hebt, spreken we van hoogbegaafd,” zegt Span. Maar ja, voor zulke kwaliteiten bestaan al helemaal geen simpele tests. Wie alleen hoog scoort op een IQ-test maar het zonder die andere kwaliteiten moet stellen, moet volgens Span 'hoogintelligent' worden genoemd. Wie met acht jaar al de sterren van de hemel speelt op een viool of een vleugel, iedereen verslaat met schaken maar geen ster is met rekenen, heet 'getalenteerd'. Pas wie z'n hele jeugd hetzelfde hoge niveau behoudt, heet 'partieel begaafd'.

De Vereniging Mensa Nederland, een vereniging voor hoogbegaafden, laat kandidaat-leden niettemin nog altijd een intelligentietest afleggen. Bij de uitslag drukt de vereniging zich niet uit in IQ-scores, maar in een andere maat: wie door de test komt, hoort tot 'het 98ste of 99ste percentiel van de bevolking'. Dat is een andere manier om hetzelfde te zeggen. Want 'heel slim' en 'heel dom' zijn volgens intelligentie-deskundigen beide even schaars, 'normaal' komt het vaakste voor. De slimste twee procent van de bevolking heeft een IQ hoger dan 130.

Over 'intelligentie' zijn al decennia lang twee discussies aan de gang. De ene is of intelligentie wel echt kan worden vastgesteld, of dat IQ-tests weliswaar van alles meten maar niet noodzakelijk intelligentie. De andere is de vraag waar intelligentie het meest door wordt veroorzaakt: door de erfelijkheid of door de opvoeding? In De Eysenck IQ-test voor kinderen, net als het boek van de Vereniging Mensa afgelopen seizoen verschenen, worden die twee vragen in sneltreinvaart beantwoord. In het evangelie volgens Eysenck zijn tests zinvol en is erfelijkheid tweemaal zo invloedrijk op de intelligentie van een kind als de omgeving waarin het opgroeit.

Over het nut van tests is Ina Barreveld, de moeder van het hoogbegaafde meisje Hagar, heel wat sceptischer. Zij schreef een boek over haar dochter. De eerste helft van het boek beschrijft de lange mars van de Barreveldjes om Hagar een klas te laten overslaan, telkens wanneer bleek dat Hagar allang kon en snapte wat ze in die klas zou moeten leren, zich veroordeeld voelde tot niksen en in de put raakte.

In de tweede helft van haar boek behandelt moeder Barreveld meer in het algemeen de problemen die je met een hoogbegaafd kind ontmoet. Een test kan zinvol zijn als de school en de ouders het niet eens zijn of een kind hoogbegaafd is, vindt Barreveld. Maar als het probleem eigenlijk meer is: wat te doen met een kind dat sneller is, meer snapt, hongert naar meer kennis, dan heeft testen weinig zin. Je stelt dan met een test alleen vast wat je allang weet.

En dat is vaak de situatie: wat te beginnen met een kind dat met vier jaar de krant leest, dat in groep drie de tafels al kan opzeggen, dat op negenjarige leeftijd kan wat een twaalfjarige kan?

Daarmee is ook de voornaamste tekortkoming aangegeven van “Intelligente kinderen”, een 'handleiding voor opvoeders' van Hans de Vries. Dit boek bevat de ongetwijfeld nuttige grondgedachte dat hoogbegaafde kinderen zowel 'hoogbegaafd' als 'kind' zijn, maar erg concreet willen De Vries' adviezen over die grondgedachte niet worden.

“Men kan een tienjarig hoogbegaafd kind bijvoorbeeld 's morgens stimuleren om zelfstandig hoogwaardige literatuur te lezen, en 's middags samen een nieuw knuffelbeest voor op bed gaan kopen”, raadt De Vries aan. Zo'n advies miskent de praktijk, waarin het hoogbegaafde kind zich 's morgens op school heeft doodverveeld omdat dat instituut niet is berekend op een kleine slimbo, en ook niet zo veel zin heeft om daarop berekend te worden. De wiskundeleraar die Hagar wel toestond 'vooruit te werken', als ze hem daar maar géén vragen over stelde, is een type hindernis dat je na lezing van De Vries' boek niet bepaald makkelijker overwint.

Ondanks z'n juichende titel is 'Hoera, ik ben hoogbegaafd' geen optimistisch boek, geen hart onder de riem. Het bevat interviews met Mensaleden, die dus in elk geval 'hoogintelligent', maar niet noodzakelijk 'hoogbegaafd' zijn. Ze vertellen in het boek wat ze van hun lot vinden - en wat het voor ze betekent om, dankzij de tests van hun vereniging, te weten dat ze hoogbegaafd zijn. “Hoogbegaafdheid is voor het individu een zegen, maar sociaal een ramp. Voor mijn kinderen bestel ik liever een 'ikuutjehonderdvijfentwintig', dan kunnnen ze lekker meekomen maar vallen ze nog net buiten het rariteitenkabinet”, zegt een geïnterviewde. Dat is de atmosfeer in menig relaas: er zijn miskende, onbegrepen geesten aan het woord. In de interviews waarin vrouwen aan het woord zijn, wordt nogal eens een verband gelegd tussen hun slimheid en de mislukte relaties die ze beleefden. Het een heeft het ander veroorzaakt, denken ze. In menig ander interview gaat het om miskenning in werksituaties: organisaties die te dom en te traag zijn om in te zien dat de hoogintelligente werknemer van het magazijn het gouden idee heeft.

Pieter Span is genuanceerder over zo'n verband tussen slimheid en narigheid. “Mensa-leden, blijkt uit recent Nederlands onderzoek, maken hun hoge intelligentie in de praktijk lang niet altijd waar. Ze willen altijd graag dat die hoge intelligentie de oorzaak is van hun emotionele problemen en wenden zich tot een hoogbegaafdheids-deskundige. Maar de oorzaak van hun problemen kan ook in de opvoeding liggen, of aangeboren zijn. Dat laat onverlet dat hoogbegaafden in het gezin, op school en in het bedrijf gestimuleerd moeten worden - net als anderen. Daarbij moet je er bij hen goed op letten dat de emotionele en de intellectuele ontwikkeling niet te ver uiteen lopen. Dat is moeilijk. Maar je moet het wel doen.”

BOEKENLIJST VOOR HOOGBEGAAFDEN

Hoera, ik ben hoogbegaafd! Marga Schouten. Alpha, ISBN 90 565 8.023.X, f 29,50, 144 pagina's.

De Eysenck IQ-test voor kinderen. Hans Eysenck en Darrin Evans. Het Spectrum, ISBN 90 24 5382 9, f 49,90, 253 pagina's.

Hagar, een hoogbegaafd meisje. Ina Barreveld. Ambo, ISBN 90 263 1438 8, f 34,90, 200 pagina's.

Intelligente kinderen. Hans de Vries. Ambo, ISBN 90 263 1416 7, f 29,90, 139 pagina's.

mailIcon print |