*

 

Alles werkt mee om de crises op scherp te stellen

T. VAN DEEL − 28/08/99, 00:00

recensie ,,Soms zou ik willen dat ik dit huis niet alleen schoonhield, maar dat mijn armen de muren waren, mijn ogen de ramen.' Aan het woord is de werkster van het zomerhuisje Duinroos op Vlieland. Zij opent de roman 'Eilandgasten' van Vonne van der Meer met een laatste inspectie van het huis, vlak voordat de eerste gasten aan zullen komen. Aan het eind, als het seizoen voorbij is en zij het huis winterklaar heeft gemaakt, neemt zij de epiloog voor haar rekening.

De werkster is de zorgende instantie in het boek. Zij dringt zich niet aan de gasten op: die kennen haar niet eens. Zij blijft op de achtergrond en houdt ongemerkt een oogje in het zeil. Hoe groot in feite haar liefde voor het huis en de gasten is, blijkt wel uit het bovenstaand citaat. Zo dicht en beschermend zou zij graag bij de levens zijn, als een huis om hen heen.

Alle gasten die in de roman vervolgens de revue passeren, komen haar een keer tegen, en merken haar op, zonder te weten wie zij is. Wel heeft haar verschijning telkens een haast onmerkbare invloed op de levensloop van de gasten. Sommigen merken haar zorgende hand in het huisje niet op, anderen juist wel. Er is zelfs iemand die de bloemen die zij heeft neergezet weggooit, omdat hij zich door dit soort tekenen van zorg 'gadegeslagen' voelt.

De werkster fungeert in de roman als het raamwerk, waarbinnen zich zes verhalen afspelen die betrekking hebben op zes tijdelijke bewoningen van het zomerhuis. Die compositie is beeldschoon en stelt Vonne van der Meer in de gelegenheid binnen de roman zes gevarieerde verhalen te verwerken, die alleen al wat de lokalisering betreft een duidelijke band met elkaar vertonen. In die verhalen speelt de ruimte van huis en eiland een prominente rol; vele levens, hoe verschillend ook, komen in deze ruimte bijeen, delen die ruimte met elkaar, zij het ook in andere tijden.

De huurders verkeren allen in een conflictsituatie en maken een crisis door. Er is een echtpaar met kinderen, waarvan de man heeft opgebiecht dat hij een nachtje is vreemdgegaan en sindsdien lijkt alles in hun onderlinge verhouding verstoord. Tijdens hun verblijf in Duinroos wordt de mogelijkheid geschapen van een nieuw begin.

Een andere huurder wiens gedachten en gedragingen gevolgd worden, is een weduwnaar die zich heeft voorgenomen een eind aan zijn leven te maken door verdrinking. Hij wil zijn zelfmoord echter zo perfect arrangeren, dat zijn kinderen zullen denken dat hij per ongeluk is omgekomen. Gaandeweg komt hij zoveel obstakels tegen op deze weg en krijgt hij bovendien door allerlei gebeurtenissen, zoals een fietstochtje en het eten van een spekpannenkoek, weer zin in het leven, zodat hij van zijn voornemen afziet.

Een dergelijke samenvatting doet natuurlijk geen enkel recht aan de subtiele, heldere en tegelijk diepzinnige vertelwijze van Vonne van der Meer, waarin de opbouw van het verhaal en de dosering zo zorgvuldig plaatsvindt. Zij weet, ik zou haast zeggen elementair, over zulke moeilijk grijpbare fenomenen te schrijven als het hervinden van het vertrouwen, het kiezen voor een nieuw leven, de aanvaarding van het bestaan, het geloof in een grotere samenhang. De studente die zichzelf niet goed begrijpt en die niet weet voor wie van haar twee vrienden zij bestemd is, smeekt bijna om inzicht:

,,Ze keek naar het bleke, heldere licht van de vuurtoren. Stond het maar eens stil, ving het hen maar in zijn bundel. Misschien zouden ze dan eindelijk zien wie ze waren, en wie bij wie hoorde.'

De eilandsituatie, het huisje en wat zich daarin bevindt, alles werkt mee om de crises op scherp te stellen en tot een oplossing te brengen. De vrouw, wier man op zijn werk wordt gepasseerd door een ambitieuze, jongere collega, kan zijn reacties hierop bijna niet meer verdragen. Tot zij in het gastenboek tussen de regels door leest van een veel groter verdriet, waar het hare bij verbleekt. ,,Terwijl ze uit het raam keek, naar de donkere hemel waar nog maar een paar flarden daglicht doorheen kierden, had ze het gevoel dat iemand achter haar kwam staan, een hand op haar hoofd legde. Over haar schouder meekeek en de eerste sterren aanwees, wees naar iets dat ouder was dan haar verdriet.'

Dit gevoel van troost wordt in het verhaal gevolgd door de thuiskomst van haar man, aan wiens stem ze al van verre hoort ,,dat het over was'. De storm is bedaard, het conflict is het hoofd geboden, er is nieuw leven mogelijk.

In het laatste verhaal zit een zeventigjarige vrouw in het huisje. Zij heeft kanker en zal binnenkort overlijden. Maar zij ,,wil niet wrokkig sterven' en probeert zich met haar moeder te verzoenen. Ze komt bij één enkele herinnering terecht, waaruit zij kan opmaken dat haar moeder toch, op haar manier, van haar gehouden heeft, en met die wetenschap kan zij het sterven aan.

Deze vrouw is het ook die het veertje, dat de werkster aan het begin van de roman bij een nieuwe bladzij in het gastenboek legt en dat in elk verhaal een rol speelt, meeneemt naar het ziekenhuis, om er naar de kunnen kijken en er de gelukkige herinnering aan het eiland aan te verbinden.

Het levensinzicht van deze vrouw rondt de reeks verhalen over geloof, hoop en liefde in huisje Duinroos prachtig af. Zij heeft een leven achter de rug, waarin het eilandbezoek centraal stond en zij komt nu voor zichzelf tot de slotsom:

,,Eigenlijk heeft een mens niets, behalve een naam en op de een of andere manier begreep ik dat op het eiland altijd beter. Omdat hier ook niets van mij is. Niets waarvan ik hier zo geniet kan ik het mijne noemen. (. . .) Maar dat ik hier altijd alleen maar te gast was, stemde me gek genoeg tevreden. Alsof ik als gast iets begreep waarvan ik altijd doordrongen zou willen zijn. Ook als ik niet met vakantie was, maar thuis.'

Vonne van der Meer heeft met 'Eilandgasten' een samenvatting gegeven van haar kijk op het bestaan. De conflicten die met de verschillende bewoningen van het zomerhuis gepaard gingen, zijn bezworen en het leven kan voort. Tegen het einde is het menselijk bestaan niet veel meer dan een naam geschreven in het gastenboek, of, zoals de werkster de rouwkaart van haar man citeert: ,,Onze namen staan geschreven in de palm van Uw hand.'

De roman heeft in zekere zin ook de vorm van een handpalm, waarin de levens van de gasten zijn ingeschreven. De werkster, die van een afstand het oog houdt op die levens en ze enigszins stuurt, krijgt in die rol iets goddelijks, zij is het oog dat gadeslaat, al bestaat er ook nog een 'meneer Duinroos', aan wie zij na elk seizoen het gastenboek opstuurt. Maar van enige reactie of bemoeienis van zijn kant is nergens sprake: de al jaren kapotte tv wordt niet vernieuwd en ook de oude kokosmat wordt niet vervangen. Brieven aan hem gericht blijven onbeantwoord en er bestaat gerede twijfel of hij zijn gastenboek wel leest. Over de verhouding tussen werkster en huisbaas in deze roman is dus nog wel enige speculatie mogelijk.

mailIcon print |