recensie Connie Willis: Zwarte Winter. Vert. Tom van Son. Luitingh-Sijthoff, Amsterdam; 528 blz. - ¿ 39,90.
'Zwarte Winter' valt onder het genre fantasy, maar het zou ook een historische roman genoemd kunnen worden, al speelt een deel in de toekomst, in 2O54. Kivrin, een jonge studente geschiedenis in Oxford, zal met een tijdmachine worden overgebracht naar het middeleeuwse Engeland. Kosten noch moeite zijn gespaard om haar voor te bereiden: ze is voorzien van een taalmachine die haar woorden zo nodig omzet in het juiste idioom, ze draagt niets dat niet bestond in het begin van de veertiende eeuw en, last but not least, ze is ingeënt tegen alle ziekten die toen de mensheid plaagden. Ook tegen de pest, al is het de bedoeling dat ze in l32O aankomt terwijl de pest pas in l348 Engeland bereikte.
Maar op het moment dat ze vertrekt breekt in 2O54 een gemeen virus uit, de technicus die de tijdmachine moet bedienen valt bewusteloos over zijn apparaat. En Kivrin krijgt allengs het vermoeden dat de tijdscoördinaten niet kloppen. Haar vrees blijkt bewaarheid: ze is acht-en-twintig jaar te laat, in de bitterkoude winter van 1348 breekt de pest uit.
Er zijn veel romans over de pest geschreven. Maar hier is geen middeleeuwer de hoofdpersoon, Kivrin is niet onwetend, het is haar bekend dat de ziekte wordt overgebracht door rattenvlooien, ze kent de naam van het geneesmiddel. . . maar ze kan niets doen. Ze kan zelfs niets zeggen, want de kans dat ze als heks zal worden verbrand is dan in het geheel niet denkbeeldig. Ze kan alleen de zieken verzorgen, samen met de ongeletterde dorpspastoor, die heilig verklaard zou moeten worden vanwege zijn goedheid en zelfopoffering.
Er wordt niets verdoezeld in dit boek, van een happy ending is geen sprake, alleen van tederheid en wanhoop. Kivrin moet aanzien hoe om haar heen de mensen op een afgrijselijke manier sterven: de oude, snobistische, narrige grootmoeder; de op haar dienaar verliefde verarmde edelvrouwe, in wier weinig luxueuze 'manor' ze genadebrood eet; het meisje van twaalf, dat moet trouwen met een vieze oude man; het ondeugende kind dat haar hondje doodknuffelt. . . of is het beestje het eerste slachtoffer van de pest?
En ook de elegante, zwarte rat die Kivrin ziet in een kooi in een van de armzalige hutten waar de snijdende wind dwars door heen blaast, laat het leven. Ze heeft de sterke neiging om hem te redden van een ongetwijfeld afschuwelijke dood maar ze doet het niet omdat hij de pest verbreidt. Later heeft ze spijt en denkt: “Ach, die ene had ook niets uitgemaakt.”
Misschien waren de Middeleeuwen heel anders dan zij ze beschrijft met het sprookjesbos en het gruweldorp, wie zal het zeggen. Maar je gelooft erin en daar gaat het om.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.