*

 

Gilliams kofferbak zit vol psychedelische roesmiddelen

Belinda van de Graaf − 04/03/99, 00:00

recensie Als er de laatste jaren één film is verschenen die nauwkeurig de geest van een literair werk verbeeldt, dan is het wel 'Fear and loathing in Las Vegas' van ex-Monty Python-lid Terry Gilliam. Journalist Hunter S. Thompson - vanwege zijn bizarre, compromisloze geschriften een fenomeen in Amerika - had met 'Fear and loathing in Las Vegas; a savage journey to the heart of the American dream' (1971) zijn volkomen idiosyncratische commentaar op de teloorgang van het hippietijdperk geleverd. In het jaar 1971 was de Amerikaanse droom definitief veranderd in een nachtmerrie. Nixon zat in het Witte Huis, de Amerikanen zaten nog steeds in Vietnam, sekteleider Charles Manson had een spoor van moorden achter zich gelaten en wachtte nu de doodstraf en Janis Joplin, Jimi Hendrix en Jim Morrison hadden alledrie op 27-jarige leeftijd het loodje gelegd.

In dat bewuste jaar maakte Thompson samen met zijn vriend en advocaat Oscar Acosta in opdracht van Sports Illustrated een tocht naar Las Vegas om er een roemruchte motorrace te verslaan. Het verslag van die trip vervatte hij in zijn onverfilmbaar geachte Gonzo-meesterwerkje 'Fear and loathing in Las Vegas' dat geheel in stijl van de Gonzo-geschriften verslaggeving, fictie en autobiografie vermengde en waarin Thompson als zijn alter-ego Raoul Duke en Acosta als Dr. Gonzo met behulp van een kofferbak vol psychedelische roesmiddelen hun zoektocht naar de Amerikaanse Droom gestalte gaven.

Het wonderlijke staaltje surrealistische extravaganza dat regisseur Gilliam ruim een kwart eeuw na dato op het doek tovert, is de ultieme visualisering van die psychedelische nachtmerrie. Onder een blauwe wolkenlucht scheert een vuurrode cabriolet door het woestijnlandschap met een kaalgeschoren Johnny Depp als Raoul Duke en een tot Puertoricaanse boeddhafiguur getransformeerde Benicio Del Toro als Dr. Gonzo beurtelings aan het stuur.

Eenmaal in Las Vegas wordt de motorrace bijzaak en volgt Gilliam zijn twee antihelden op hun benevelde tocht door klatergouden gokpaleizen waar 'special effects' tapijtmotieven in beweging brengen en goklustigen in gigantische hagedissen doen veranderen. De merkwaardig vervormde voice-over van Johnny Depp die letterlijk uit het boek citeert, wordt op de feestelijke geluidsband afgewisseld met Las Vegas-coryfeeën als Frank Sinatra, Tom Jones en Debbie Reynolds die op hun beurt gezelschap krijgen van Bob Dylan, Jefferson Airplane en Buffalo Springfield, alsmede de Dead Kennedys die met hun Elvispersiflage 'Viva Las Vegas' een vrolijke anachronistische bijdrage leveren.

Jammer is dat Gilliams tripfilm nauwelijks onafhankelijk van de literaire bron en enige achtergrondinformatie begrepen kan worden. Gilliam mikt duidelijk op de voorkennis van zijn publiek, waarmee hij zichzelf een vrijbrief verschaft om zich uit te leven in een visueel spektakel. Gilliams enthousiasme werkt zonder meer aanstekelijk. Twee uur lang beleven we een knettergekke drugsdroom waarin fantastische experimenten met ouderwetse groothoeklenzen en de nieuwste digitale technieken de boventoon voeren. Gilliam bewijst zich andermaal als de tovenaar van Hollywood, maar dan wel zonder zich al te druk te maken over de noodrem.

mailIcon print |