*

 

Een strakke wereld waarin slechts koele logica heerst

ROB SCHOUTEN − 19/05/95, 00:00

recensie Edzard Mik: De bouwmeester. De Arbeiderspers, Amsterdam; 139 blz. - ¿ 27,50.

Toch verbaast die afwezigheid in de meest verse literatuur enigszins, want juist belangstelling voor zaken als popmuziek, computers, house-parties en trivia zou ook best eens een in letterkundige zin relatief onontsloten terrein als de SF kunnen aandoen.

Edzard Mik debuteert met een roman, 'De bouwmeester'. die allerlei SF-achtige trekjes vertoont en die thuishoort in de lijn Bordewijk-Polet. Een zekere Felix Schrader krijgt via zijn broer van een bedrijf opdracht een gebouw in hun stad neer te zetten, als teken van dankbaarheid voor de bloei die het bedrijf aan de stad heeft te danken. Het moet een zuiver dankoffer zijn, een functieloos gebouw. Naarmate de ontwikkelingen verderschrijden worden aan het gebouw steeds beperkender eisen gesteld. Het moet eerst boven op een reeds bestaand gebouw gezet worden en mag later ook niet hoger dan het oude gebouw zijn. In feite komt het dus neer op een renovatie van het oude.

In het oude gebouw treft de bouwheer allerlei zwerfkinderen aan, waardoor hij zich voorneemt er een kinderopvang van te maken, iets wat zijn opdrachtgevers niet kan schelen. In het magazijn treft hij voorts een vrouw aan die in dozen handelt en die zich tegen haar uitzetting verzet. Verder ontmoet hij het meisje Nini, het vermeende dochtertje van zijn broer, dat talentvol tekent en waarmee hij zo goed als opgezadeld wordt.

Ook verder bestaat zijn opdracht voornamelijk uit buitenissige ontmoetingen. Het hotel waarin hij logeert, ververst na iedere bezoeker het gehele meubilair, in een wasserette waar hij verzeild raakt dient van de opzichter volmaakte rust te heersen zodat de klanten niet worden gestoord. Een van zijn contacten, meneer Li, beschikt over een knappe dochter, wier verschijning als een soort Oosters sprookje wordt voorgesteld, totdat ze haar mond opendoet en termen als 'maffe peer' en 'klerezooi' blijkt te bezigen. De Japanse opdrachtgevers blijken óf incommunicabel óf beschonken. De bouwmeester is, kortom, in een vrolijk Kafkaiaans wereldje terechtgekomen waar niemand iets kan uitrichten.

De atmosfeer is grootsteeds. Men krijgt de indruk zich in een of andere hypermoderne Aziatische metropool te bevinden, vol anonimiteit en automatismen. Van menselijke contacten is geen sprake, zelfs de kinderen gedragen zich uitsluitend als collectief. Een stad van de toekomst waarin voor individualiteit geen plaats is, lijkt het. Aan het eind gooit de bouwheer dan ook zijn zotte opdracht weg, maar in het te verbouwen bouwwerk blijkt op geheimzinnige wijze een grote vis te zijn opgehangen, die door de opdrachtgevers als een treffende vervulling van hun verzoek wordt gezien.

'De bouwmeester' is zo een boek zonder klaarblijkelijke psychologie en ook zonder duidelijke strekking, men heeft wel telkens het gevoel dat de verschillende, geheimzinnige scènes metaforisch ergens voor staan maar een boodschap of een visie zie ik er niet in. Maar het mysterie werkt wel. De verschillende locaties, steeds bijzonder filmisch beschreven, met hun merkwaardige publiek, hebben iets hallucinerends. Het magazijn, de wasserette, de hotelkamers, de discotheek, allemaal wijzen ze op belangstelling voor het materiële en feitelijke.

Ook de stijl is zakelijk en visueel, zonder emoties: “Onze taxi remde af voor het stoplicht, even was het kruispunt leeg en stemde tot bezinning, de straten waren tot rust gekomen en in de verte blonk helder licht. De auto's uit de zijstraten trokken op en draaiden onze straat in. Achter glas gingen de hoofden van de chauffeurs aan ons voorbij: Chinezen, Japanners, Aziaten, Europeanen en een enkele Indiër, één voor één, met gelijke tussenpozen, het gezicht gelaten door de voorruit kijkend, de romp meebuigebnd met de bocht.”

Misschien het merkwaardigste aan de hele geschiedenis is dat je geboeid raakt zonder te weten waarom en zonder dat je al te veel handreikingen krijgt. Het is een verhaal dat zich als het ware functieloos in een lege ruimte bevindt, zuivere materie, een ontkenning ook van de noodzaak van psychologie in de letteren. Al te lang kan zoiets niet duren zonder op den duur te vervelen, maar Mik houdt wat mij betreft ook net op tijd op.

Hoe lang houdt een mens het vol in een strakke, vrijwel humorloze en absurde wereld, waarin slechts koele en onbegrijpelijke logica heerst? Als het al een achterliggende vraag is in dit boek, dan wordt zij niet beantwoord, want even wonderlijk als het begint zo eindigt het verhaal ook, in het luchtledige. En de lezer, die zojuist een wonderlijke film heeft gezien, weet niet wat hij ermee aanmoet, ongeveer zoals een bouwmeester die zijn opdracht niet kan vervullen.

mailIcon print |