*

 

'De oorlog toonde wat iemand waard was'

WERA DE LANGE − 16/01/98, 00:00

recensie In Ceausescu's Roemenië konden sommige teksten alleen in het hoofd worden opgeslagen, omdat een andere plek te gevaarlijk was. In dezelfde periode draaiden de ondergrondse persen in Polen tientallen titels per jaar, in oplagen van duizenden.

In Tsjechoslowakije zat toentertijd een handjevol geïsoleerde opposanten in hun vrije tijd clandestiene boeken te tikken, in oplages van acht tot tien, op aftandse typemachines die kraakten van het carbonpapier. Soms waren het boeken die in Hongarije al legaal bij een staatsuitgeverij waren verschenen.

Kortom, de ene communistische dictatuur was bij lange na de andere niet. Maar in alle gevallen werd de bezoekende buitenstaander getroffen en geroerd door het enorme respect voor het woord en voor het boek. Die boekenliefde had op hem vaak een verslavend effect. Het was alsof 'de Europese cultuur', zo sterk door boeken gedragen, in de vrieskist van het communisme verser bleef dan 'bij ons'.

In het pas verschenen Engelstalige boekje 'Publishers' Portraits' maakt de Hongaarse literaire uitgever Gábor Csordás uit het zuidelijke Pécs terloops korte metten met die mythe. “Het hoge prestige van de cultuur onder het communisme was alleen maar een façade”, zegt hij. Het was binnen de schaarse mogelijkheden de beste manier om je te verzetten. Maar wat er toen met boeken gebeurde, zegt weinig over het werkelijke culturele peil van een volk. Dat is na de ineenstorting van het oude regime gebleken.

In extreme omstandigheden kunnen sommige mensen héél ver gaan in het boekenverzet. Een van de geportretteerde uitgeefsters in het genoemde boek is de Bosnische Nermina Kurspahic. Zij was al jaren vóór het uitbreken van de burgeroorlog redactrice van 'Odjek', een gerenommeerd Bosnisch tijdschrift voor literatuur, kunst, wetenschap en sociale wetenschappen.

Toen het geschut rond Sarajevo werd opgesteld, hield de ene na de andere medewerker het voor gezien. De eerste Odjek'er die naar veiliger oorden vluchtte, was de hoofdredacteur. Maar Kurspahic bleef, in een huis in de vuurlinie, vlakbij Sniper Alley, gekweld door multiple sclerose en het gebrek aan medicijnen in de belegerde stad.

Het blad móest en zou uitkomen, al lukte het 'maar eens in de anderhalf jaar', al was het maar een paar velletjes, al bereikte het maar een enkeling, al waagde Kurspahic' vader keer op keer zijn leven als hij de straat op ging om teksten naar de drukkerij te brengen en andere koeriersdienten te verrichten.

Welke teksten, welk bewegingen van gemoed en verstand bij de lezers zijn zo krankzinnig veel offers waard? Daarover maakt het boekje ons niet wijzer, het hoofdstuk blijft steken in ontzag. Maar misschien kunnen mensen elkaar daar niet veel over melden dan dat ze juist in extreme omstandigheden koste wat het kost willen doorgaan met wat hoort bij een 'normaal' cultuurmensenleven.

Kurspahic kan het de mensen die de stad tijdig verlieten, niet vergeven: “Het was een lakmoesproef. De oorlog toonde wat iemand waard was”, zegt ze, keihard. En nu? “In Sarajevo is ze ongelukkig omdat ze er niet meer kan leven als vóór de oorlog. Maar buiten Sarajevo is ze nog ongelukkiger.”

Kurspahic is de overtreffende trap van haar Bulgaarse collega Vladimir Zarev (van het literaire blad 'Savremennik') en de Roemeense Marta Petreu (van het literair-filosofische 'Apostrof').

Op de hele Balkan wordt nog vertaald, geschreven, over copyrights onderhandeld, geredigeerd, ge-lay-out, gecorrigeerd, gedrukt, gedistribueerd en verkocht tegen alle wetten van commercie en zwaartekracht in, zonder geld, zonder betaalbaar papier, en in Petreus geval ook nog eens in de schaduw van een gek geworden extremistisch-nationalistische burgemeester. Hier wordt de mythe van vóór de val van het communisme nog behoorlijk hoog gehouden, voor lezersbestanden van een paar duizend mensen.

Minder heroïsch, diverser, voor mensen van het boekenvak interessanter zijn de portretten van uitgevers in iets 'normalere' landen. Mensen, die bezig zijn het fundament te timmeren van een volwassen uitgeversbranche in Hongarije, Litouwen (Saulius Zukas van 'Baltos Lankos'), in Praag (Vladimir Pistorius, ooit carbontyper, nu een grote literaire uitgever) en elders. Er valt nergens in het postcommunisme - zonder steun - een goede boterham te verdienen met literatuur en cultuur-filosofische boeken en bladen. Toch is er een groep leuke 'gekken' blijven bestaan die doorbouwen, gesponsord door de onvolprezen speculant en subsidiant George Soros (wanneer krijgt die man een Nobelprijs?) of door westerse stichtingen, fondsen of regeringen.

De meeste geportretteerden zijn de 'romantische' goeie wil en de blinde dissidentenvolharding al lang ontstegen. Zij maken zelf computerprogramma's voor het vak, forceren fusies van boekendistribuanten, zij zijn - onder barre omstandigheden - allang geprofessionaliseerd. Ze tekenen samen een portret van de Oost-Europese uitgever van de toekomst.

Van alle aardige portretten kwam dat van Samuel Abrahám in Bratislava mij het allerhoopgevendste voor. Hij runt 'Kritika en Kontekst', een tweetalig (Engels en Slowaaks) blad vol met kritieken en besprekingen, voor heel Oost-Europa, op hoog niveau. Zijn meetlat wordt gevormd door 'The Times Literary Supplement' en 'The New York Review of Books'. Voor minder doet hij het niet.

mailIcon print |