*

 

'Hij is omringd door mensen die hem dood willen'

JOOP BOUMA − 09/05/98, 00:00

recensie Ze wachtte bijna veertien jaar met de vraag die een ander misschien als eerste beantwoord zou willen hebben: voor welk misdrijf zat de man met wie ze correspondeerde in de Amerikaanse dodencel? De vraag was voor Gea Knol niet zo relevant. “Wat je ook gedaan mag hebben, het kan in mijn ogen nooit zo erg zijn, dat je gestraft moet worden met het beëindigen van je leven”, schreef ze voorjaar 1984 in een van haar eerste brieven naar John Elsken, in de staatsgevangenis in Raiford, Florida. “Je kunt me schrijven wat je wilt, maar het verplicht je tot niets.” Achttien was ze toen. En hij vijfentwintig.

Eind 1996 besloot ze de briefwisseling te bundelen, ze vertaalde zijn brieven en vond een Nederlandse uitgever. John Elsken schreef haar: “Het is belangrijk dat anderen weten dat degenen in death row nog steeds mensen zijn.”

Toen ook werd het tijd die ene, nog open vraag te stellen. “Anders zou er toch een leemte zitten in het boek”, zegt Gea Knol, 32 inmiddels en moeder van drie kinderen. “Het wás voor mij voordien beslist niet belangrijk. Ik weet echt wel dat je niet voor zweetvoeten in de VS in de dodencel komt. Maar ik wilde voor hem in de eerste plaats iemand zijn bij wie hij zijn verhaal kwijt kon, die om hem gaf.”

Ze werkte toen al in Overijssel als therapeute met kinderen die seksueel misbruikt waren. De ernstigste gevallen. “Het waren echt gruwelijke, extreme vormen van incest en ander seksueel misbruik.” Omdat Gea Knol in haar werk geregeld vertelde over haar Amerikaanse penvriend, had een van de meisjes haar eens een briefje meegegeven voor John Elsken. 'Ik houd van paardrijden, u ook?', zo'n briefje.

“In de brief waarin John mij antwoordde op de vraag waarvoor hij ter dood was veroordeeld, zat toevallig ook zijn antwoord aan dat meisje. Een hele lieve brief. En aan mij schreef hij dat hij de doodstraf had gekregen voor ontvoering, aanranding en moord op een zevenjarig meisje. Toen knalde het even in mijn hoofd. Slachtoffer en mogelijke dader in één enveloppe. In mijn werk heb ik altijd gezegd dat ik nooit met daders van seksuele delicten zou kunnen omgaan. En nu bleek dat ik al dertien en een half jaar bevriend was met een dader. Ik heb het daar moeilijk mee gehad. Ik heb de tijd genomen om voor mezelf te bepalen of ik verder wilde. Ik zat er vooral ook mee of ik het tegenover die kinderen op mijn werk kon maken om door te gaan. Ik voelde het toch een beetje als verraad. Maar het begon de kinderen op te vallen dat ik nooit meer iets vertelde over mijn correspondentievriend. Ze gingen vragen stellen. Ik heb ze toen verteld waarvoor John was veroordeeld en ze reageerden allemaal positief. Ze vonden het geen enkel punt.”

De briefwisseling hield stand. En het boek kwam er. Met de opbrengst van de verkoop hoopt Gea Knol een bijdrage te leveren aan de verdediging van John Elsken. Zijn beroepsprocedure loopt nog altijd, achttien jaar na de veroordeling. Ze heeft de Nederlander Bart Stapert, die als advocaat in New Orleans werkt, gevraagd Elskens beide advocaten in Florida te helpen bij de verdediging. Stapert, deze week op uitnodiging van de uitgever in Nederland, verdedigt inmiddels zes ter dood veroordeelden in Louisiana, Florida en Texas.

John Elsken is een pseudoniem, omdat de ervaring heeft geleerd dat het gebruik van de echte naam van de veroordeelde nadelig kan zijn voor de zaak. Elsken heeft twee keer een nieuw proces gekregen, omdat zijn bekentenis naar het oordeel van de rechters destijds ongrondwettig was verkregen. Niettemin werd hij telkens door de jury's opnieuw ter dood veroordeeld.

Hoewel een drievoudige veroordeling de kans op herziening van het doodvonnis niet echt groter maakt, zijn er volgens Stapert wel degelijk aanknopingspunten voor een nieuwe behandeling. Bij de berechting in eerste aanleg zijn mogelijk getuigen die ontlastende verklaringen konden afleggen over Elsken, door het openbaar ministerie buiten de procesgang gehouden.

Stapert: “Bovendien zegt Elsken dat hij zich van het gebeuren niets meer kan herinneren. Uit de stukken blijkt dat hij ten tijde van het delict zo ongelooflijk dronken moet zijn geweest, dat je je moet afvragen of er veel waarde kan worden gehecht aan zijn bekentenis. Die niet-gehoorde getuigen zouden daarover kunnen verklaren.”

Gea Knol bezocht haar penvriend afgelopen najaar voor het eerst in de gevangenis. Ze moest verzwijgen dat ze getrouwd is, omdat in Florida gehuwde vrouwen alleen in aanwezigheid van hun wettige echtgenoot ter dood veroordeelden mogen bezoeken. In het boek beschrijft Knol hoe dat bezoek verliep. 'Voor het eerst volg ik de route die mijn brieven al meer dan dertien jaar nemen, hoog boven langzaam voorbij glijdende wolken, de zon tegemoet. Levende post ben ik, met een zenwuachtig kloppend hart. Hoe zal het zijn? Zal ik hem gelijk herkennen, of zal ik hem eerst voorbijlopen? Zal de tijd snel verstrijken omdat we elkaar veel te vertellen hebben, of zal het gesprek stokken in beklemmende stiltes? Ik weet van zijn nachtmerries en dromen, zijn gedachten, ideeën en meningen, maar ik heb nog nooit het geluid van zijn stem gehoord. Ik ken zijn gevoel voor humor, maar niet zijn lach.'

Als ze na aankomst, na een slapeloze nacht, naar de gevangenis gaat, verloopt alles anders dan ze had verwacht. 'In plaats van blaffende bevelen zijn er rustige stemmen, in plaats van intimiderend gedrag is er tegemoetkomende behulpzaamheid. Ik hou mijn adem in en dring steeds verder door in een wereld die maar één doel heeft: het doden van haar bewoners, terwijl het lijkt alsof het volstrekt normaal is. Ik krijg vriendelijke knikjes en er is geen enkele schaamte te bespeuren. 'Death row ? That way, miss. . .' Het is vreemd, beangstigend haast.'

Ze krijgt tafel 22 toegewezen. John Elsken is er nog niet. Ze durft de binnenkomende mannen niet aan te kijken, bang als ze is dat ze hem niet zal herkennen. Ze hoopt maar dat hij haar herkent. Ze kijkt om zich heen naar de andere tafeltjes. 'Voor het eerst in mijn leven kijk ik naar mannen die als de ergste criminelen van de staat Florida worden beschouwd, maar ik kijk met andere ogen en denk aan de woorden van een advocaat: 'Het zijn nooit de zwaarste criminelen die in death row belanden, maar mensen die zwart zijn of geen geld hebben om een goede advocaat te betalen. Ik zie een ter dood veroordeelde die een oud vrouwtje teder omhelst en haar helpt bij het gaan zitten, alsof ze van suiker is, breekbaar en kostbaar. Ik zie een man met tatoeages en gespierde armen. Hij kijkt wat nors, maar er springen tranen in zijn ogen als hij zijn kinderen ziet. Even later loopt hij trots rond met een kind op zijn arm.'

Als John Elsken uiteindelijk binnenkomt, herkent ze hem direct.

'Ik sta op en we omhelzen elkaar. Hij is ontroerd. Ik ook. 'O man', fluistert hij in mijn oor, 'ik kan het haast niet geloven dat je echt bent gekomen! Wat ben ik blij!'.' Ze blijft drie dagen, het bezoek duurt van 's ochtends negen tot 's middags drie. De tijd vliegt om.

Terugblikkend, zegt ze: “Onze relatie is veel intenser geworden. Er waren toch altijd nog wat innerlijke reserves. Die zijn nu helemaal weg. We schrijven vaker en zijn vrijer in wat we schrijven. Als hij ooit geëxecuteerd zou worden, zal het zijn alsof ik een broer verlies.” Ze hebben het er nog niet over gehad of ze bij een eventuele executie aanwezig zal zijn. “Als hij wil dat ik er bij ben, zal ik er zijn. Ik zou niet graag willen dat er bij zijn executie niemand is die van hem houdt en wie hij in de ogen kan kijken. Eigenlijk is dat nog het meest erge van alles, dat hij is omringd door mensen die hem dood willen zien. Ik ben pas na dat bezoek gaan beseffen hoe erg het is, zo'n in kalmte voorbereide moord van staatswege.”

mailIcon print |