recensie “En dan de handen die de natuur aan de mens heeft gegeven: wat zijn dat geschikte instrumenten in tal van vakken! De vingers kunnen gemakkelijk gekromd en gestrekt worden dank zij de soepele gewrichten en hebben geen moeite met welke beweging dan ook.” Via Hunnik, Cicero, Balbus en Leonardo da Vinci komt de filosoof Cornelis Verhoeven uit bij de techniek, de redding van de natuur en 'Natuur tussen mythe en techniek', een nieuwe bundel opstellen van Hans Achterhuis. De bundel wordt Achterhuis donderdag aangeboden door mr. L. A. Geelhoed, secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken. Hans Achterhuis: Natuur tussen mythe en techniek. Ambo, Baarn; 278 p. ¿ 34,90.
Cicero laat daarin de stoïcijn Balbus de lof zingen van de ordelijke en doelmatige inrichting van de natuur in het algemeen en van de menselijke gestalte en de zintuigen in het bijzonder. In dat verband wordt heel lyrisch gesproken over de menselijke hand als het makende en maatstaf gevende orgaan bij uitstek. Ik citeer een deel van die tekst in de recente vertaling van Vincent Hunnik:
“En dan de handen die de natuur aan de mens heeft gegeven: wat zijn dat geschikte instrumenten in tal van vakken! De vingers kunnen gemakkelijk gekromd en gestrekt worden dank zij de soepele gewrichten en hebben geen moeite met welke beweging dan ook. Voor schilderen, beeldhouwen, beitelen en het ontlokken van geluiden aan snaar- en blaasinstrumenten is de hand geschikt door de bewegingen van de vingers. En die dingen zijn nog maar voor het plezier! Er zijn ook echt noodzakelijke dingen, ik bedoel landbouw, bouwkunst, het weven en naaien van kleren, en alle vormen van brons- en ijzerbewerking. Hieruit valt te begrijpen, hoe wij alles bereikt hebben: de ontdekkingen van de geest en de waarnemingen van de zintuigen hebben we toegepast met handen van makers; we hebben daardoor een dak boven ons hoofd, we zijn gekleed en beschermd; en we hebben steden, muren, huizen en tempels.”
Even verderop in zijn betoog trekt Balbus een conclusie die voor het onderwerp van Achterhuis en voor de geschiedenis van de menselijke omgang met natuur en milieu van kardinale betekenis blijkt te zijn. Hij zegt dat alle dingen ter wereld die de mens gebruikt, door de natuur of door de goden ook zijn gemaakt en bedacht omwille van de mens. Het gaat hier om de betekenis van dit woord 'omwille'.
Volgens een traditionele uitleg van deze verleidelijke gedachte betekent zij dat de mens, in de woorden van Descartes, niet alleen waarnemer en getuige, maar ook meester en bezitter van de natuur is en dus ook gerechtigd die onbeperkt aan zijn bedoelingen te onderwerpen en voor zijn behoeften te gebruiken. Er is geen hogere instantie. De wereld is vanaf het moment van de schepping overgeleverd aan de handen van de mens, zijn nieuwe meester. Die handen worden dus uitsluitend beschouwd als instrumenten van macht. De natuur is in deze opvatting alleen maar leverancier van grondstoffen.
In het recent verdedigde proefschrift van Rob Zwijnenberg 'Denken op papier', over de manuscripten van Leonardo da Vinci, wordt daarentegen uitvoerig ingegaan op de intellectuele en artistieke functie van de menselijke hand en worden uitspraken als die van Cicero geanalyseerd. De menselijke hand, luidt daar de conclusie, is tegelijk ook een instrument van kennis. Zij heeft niet alleen een produktieve, maar vooral ook een receptieve en experimenterende functie.
In de context van deze beschouwing naar aanleiding van het boek van Achterhuis zijn over de tekst van Cicero en zijn intellectuele achtergrond vooral twee vragen te stellen, een grote en een kleine. De grote vraag is uiteraard, of dit standpunt, dat alles er zou zijn omwille van de mensen, juist is en of, als dat moeilijk tegen te spreken is, de utilitaire uitleg van dat 'omwille' ook binnen een antropocentrische visie (een visie die de mens als het middelpunt van de schepping beschouwt) wel te verantwoorden is.
De essays in het boek van Achterhuis gaan, als ik de strekking van de bundel goed begrepen heb, voor een belangrijk deel over deze vraag, inclusief de kwestie of de ontwikkeling van de techniek zelf de negatieve gevolgen van de techniek kan verhelpen. Zij handelen over de plaats van iets primitiefs als hand en oog in de ontwikkeling van de moderne techniek, maar zij lijken hier en daar ook gewijd aan een soort van seculiere godsdiensttwist tussen humanisten en christenen aan de ene kant en voorstanders van eigen rechten van de natuur, wat dat ook nog mag zijn, aan de andere kant.
De kleine vraag, waar ik mij hier vooral mee wil bezig houden, lijkt vergeleken bij de grote van louter filologisch belang en heeft betrekking op wat Cicero op deze plaats, in navolging van Aristoteles en andere voorgangers, wil zeggen en of dat in een discussie over moderne techniek nog bruikbaar is. Is hij lyrisch op louter utilitaire gronden? Zingt hij de lof van de hand als een instrument van beheersing en bewerking, of is zij in zijn ogen eerder of althans ook een instrument van nabijheid, contact en dus van beschouwelijkheid? Maakt de hand de werkelijkheid werkelijker door er menselijke en voor mensen nuttige vorm aan te geven of door haar binnen handbereik te houden? In de geciteerde tekst lijken beide mogelijkheden tegelijk toegelaten te worden, al wordt daar wel bij aangetekend - bijna vanuit een soort van schuldbesef - dat de ene, de meest luxueuze mogelijkheid, alleen het genoegen dient.
In de interpretatie daarentegen waarin de mens niet alleen als hoogtepunt van de natuur wordt beschouwd of, christelijk uitgedrukt, als rentmeester van de hele schepping, wint de opvatting dat de natuur aan de mens onderworpen is en louter dienstbaar is aan zijn nut - in welke zin hij dat ook mag opvatten - het gewoonlijk van de meer beschouwelijke interpretatie waarin de exploitatie van de natuur als grondstof en materiaal hooguit een marginale rol speelt. In die interpretatie zou aan de natuur in even hoge mate een demonstratieve en bijna theatrale waarde als schouwspel worden toegekend als de functie van grondstof en toekomstig afval.
Zo'n interpretatie, de gedachte bijvoorbeeld dat de mens de dankbare kroongetuige is van de schepping en de natuur, past eerder in een christelijke traditie dan in een humanistische opvatting die er juist op uit is zich daarvan te emanciperen. En zij past ook eerder in de antieke cultuur met haar beschouwelijke karakter dan in wat wij als technologische cultuur of consumptiemaatschappij plegen op te vatten. Mogelijk bestaat zij in een afgeleide en wat karikaturale vorm nog voort in het toerisme en zijn industrie. Ook daarin immers is voor de natuur, ongerept of door mensenhand tot park gemaakt, nog een rol weggelegd als schouwspel. In hun vrije tijd vertonen mensen wel vaker archaïsch gedrag en de noodzaak van ontspanning zou erop kunnen wijzen dat zo'n gedrag zinvol is.
De vrees voor een totale uitbuiting en vernietiging van de natuur, een modern onderwerp van zorgelijk discussiëren, kon in de dagen van Aristoteles en Cicero niet eens aan de orde worden gesteld, eenvoudig omdat de technologische voorwaarden daarvoor in die tijd niet aanwezig waren. Cicero zingt de lof van menselijke mogelijkheden waarvan hij de volledige verwezenlijking niet kan voorzien en hij doet dat waarschijnlijk omdat hij ze in de verste verte niet kan voorzien. Hij zingt dan ook eerder de lof van kunst en ambacht dan van de techniek als wereldomvattend bestel. En wanneer het in een beschouwing over natuur en techniek gaat om een verzet tegen het meedogenloos uitbuiten van natuur en milieu, maakt het een beslissend verschil, of de centrale positie van de mens in de wereld die van een bijna lyrische toeschouwer is dan wel die van een heerser en uitbuiter.
Maar ook als de vraag aan de orde is naar de plaats van de mens in de natuur, een plaats die hij hoort te weten, of naar de aard van de mens zelf, maakt het alles uit of daarbij het accent wordt gelegd op het moment van beschouwelijkheid in het menselijke bestaan dan wel op een permanente bevrediging van onverzadigbare behoeften. Want in het eerste geval, zouden wij kunnen zeggen, ligt het gewicht bij de dingen en is er sprake van een respect voor het 'andere' in de natuur, in het tweede geval ligt het bij de consument en wordt het belang van alles herleid tot wat die als zijn behoefte beschouwt.
We zouden dus ook kunnen zeggen, dat er twee kritische vragen te stellen zijn, omdat er twee misverstanden dreigen. Het ene bestaat erin aan het heersen en produceren een louter utilitaire functie toe te schrijven en bijvoorbeeld buiten beschouwing te laten, dat het merendeel van onze technische produkten en luxe goederen uit speelgoed bestaat, dus een beschouwelijke of demonstratieve functie heeft. Het is daardoor uit een oogpunt van milieu niet minder bedreigend, maar wanneer het gaat over de vraag naar de aard van de techniek en van de mens als bewoner van een technische wereld, maakt het een groot verschil.
Het andere misverstand lijkt verband te houden met een moderne allergie voor religiositeit, een allergie die zo ver lijkt te gaan dat elke beschouwelijke houding of zweem daarvan, zelfs als die zich neutraal aandient of als een vorm van toerisme, bijna automatisch als het effect van een religieuze instelling wordt opgevat. Zij moet dan bestreden worden uit naam van een Verlichting die, zoals bij het hedendaagse humanisme het geval lijkt te zijn, geen andere keuze meer heeft dan in de hand en de techniek organen van produktie en heerszucht te zien. Lezend in het prachtige boek van Hans Achterhuis kreeg ik soms de indruk dat een toenemend onvermogen tot belangeloze beschouwelijkheid bij al onze rijkdom een gigantische armoede vertegenwoordigt.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.