recensie Wie het Jazz Orchestra of the Concertgebouw (JOC) ooit in het Amsterdamse BIM-huis heeft horen spelen, weet dat deze bigband in staat is het publiek te boeien.
In het Concertgebouw wilde dat het afgelopen weekeinde helaas niet lukken. Toen stonden er ineens geen jonge honden die gretig om een bot vochten en de solisten het vuur voortdurend aan de schenen legden, maar musici die alle nootjes zo mooi en perfect mogelijk speelden en het de solisten - de Amerikaanse tenorsaxofonisten Johnny Griffin, Joe Lovano en James Carter - niet te moeilijk maakten.
Na lange tijd afwezig te zijn geweest van de Nederlandse podia, kwam Griffin eind juni terug voor enkele concerten met zijn collega-tenorsaxofonist Von Freeman. Ondanks een welwillende ritmesectie met een onvermoeibare Han Bennink achter het slagwerk weigerden Griffin en Freeman elkaar toen uit te dagen, waardoor de muziek een overwegend tam karakter behield. Het programma in het Concertgebouw was al even risicoloos opgezet. Door elk van de solisten steeds in zijn eentje naar voren te laten treden, kregen ze weinig kans zich met elkaar te meten. Alleen in de slotnummers van beide sets en in de toegift kwam het zover, althans een beetje, maar toen was het eigenlijk al te laat.
In het arrangement dat JOC-leider/dirigent Henk Meutgeert had gemaakt van Jerome Kerns 'All the things you are' (aangevuld met andere ideeën van Kern, Lee Konitz en Meutgeert zelf) en in de daaropvolgende toegift begon de muziek alleen te bruisen vanwege de inspirerende solo op sopraansaxofoon die de 30-jarige James Carter even daarvoor in de ballade 'Black coffee' had gegeven. Griffins lyrische aanpak kwam ruimschoots aan bod, maar zijn toon klonk toch wat dun. Maar ach, hij is 71 en hoeft niet meer zo nodig. De 23 jaar jongere Lovano heeft de laatste jaren met eigen groepen en musici als Paul Motian en Bill Frisell de meest bijzondere dingen gedaan. Dat hij tamelijk onbeduidend, beter gezegd plichtmatig speelde, als betrof het een makkelijke, lucratieve schnabbel, viel me dan ook erg tegen. Carter, een lefgozer en alleskunner van amper dertig, die traditie en voorhoede in zijn spel verenigt, had er daarentegen zichtbaar zin in. In Michael Moore's 'Shotgun wedding' (het enige onvoorspelbare nummer in het hele programma) schitterde hij op tenor, in Ellingtons 'Praise God' liet hij horen wat hij allemaal kan op de baritonsaxofoon. Maar dat was nog niks vergeleken bij het intense gehuil en vervaarlijk gebrul op sopraan in 'Black coffee'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.