recensie Jean Giono: Het zingen van de wereld. Vert. en nawoord Jeanne Holierhoek. Coppens en Frencks, Amsterdam; 281 blz. - ¿ 56,90.
Honderd jaar geleden werd Jean Giono geboren (1895-1970). In Frankrijk werd hij uitvoerig herdacht, met onder andere een verfilming van één van zijn naoorlogse romans, 'Le hussard sur le toit'. In ons land werd een nieuwe vertaling uitgebracht van één van zijn bekendste romans van voor de oorlog, 'Het zingen van de wereld' (Le chant du monde), een boek dat kolkt en bruist als de wereld en de mensen die het beschrijft.
Het verhaal speelt zich af in een onbestemde tijd, ergens begin deze eeuw. Een houthakker, man van het woud, en Antonio de visser, man van het water, volgen de rivier stroomopwaarts op zoek naar de verdwenen zoon van de houthakker. Een barre tocht 'in den vreemde' - zoals in veel bergstreken wordt hier een dorp in een volgende vallei al aangeduid als een ander land, een andere 'pays'.
Op hun pad vinden ze een barende blinde vrouw, en wanhopige zieken die op weg zijn naar een gebochelde genezer verderop in een stadje, met verhalen van lijden en leven als tekens op hun weg. In dat stadje wacht ook de twee mannen de ontknoping. Ze horen hoe de zoon van de houthakker met zijn hartstocht de wetten van de streek trotseerde, en raken betrokken bij de wraak en wederwraak die deze schending heeft ontketend.
De reis heeft veel weg van een initiatie. Voor de jonge visser betekent de tocht een inwijding in de liefde, waarbij de kracht en de zorgzaamheid die een man nodig heeft om lief te hebben op de proef worden gestelde. Voor de houthakker is het een groeien naar de dood, waarvan de voortekens in de wolken en in de hele natuur staan geschreven.
Vanaf het begin voert Giono ons binnen in een volstrekt eigen, zinnelijke en mythische wereld, waar mensen en natuur nog niet van elkaar gescheiden zijn. Het lijkt wel alsof hij de wereld wil laten ruiken, horen en tasten zoals de blinde vrouw met de lichtende naam, Clara, haar ervaart.
Net zoals Faulkner, de Deep South tot een metafoor van de 'condition humaine' heeft gemaakt, zo weet Giono de concrete werkelijkheid van zijn streek als een springplank te gebruiken naar een mythisch land, waar de mensen meer op Titanen lijken dan op de twintigste-eeuwers waar Giono weinig van moest hebben. In zijn haast expressionistische beeldende stijl schuilen zijn kracht èn zijn zwakheid. Zijn verrassende, soms bizarre beschrijvingen maken het vertrouwde volstrekt nieuw en hebben een enorme vaart: “In de diepe sneden van de aarde verdikten de wolken zich traag en borrelend als beslag. Nu en dan barstten enorme bellen bliksemend open. De donder rolde zijn grove stukken hout door alle valleien van het gebergte. Dan verhief het onweer zich uit de modderpoel. Het vertrapte dorpen en velden, brak bomen stuk (. . .)”
Maar bij vlagen wordt het mij wat overdadig, al die onderdelen van de natuur die allemaal hun eigen partijtje meezingen, meegeuren en meebruisen in deze 'chant du monde'. Het vertalen van dergelijke stilistische uitspattingen luistert heel nauw: voortdurend loop je het risico uit te glijden in hoogdravende woordcombinaties. Jeanne Holierhoek is er in geslaagd Giono in een prachtig zinnelijk en ritmisch Nederlands te vertalen.
Soms is Giono mij wat erg geëxalteerd in zijn 'reine Körperkultur'. Op onverwachte momenten zijn er blote lijven, liefst krachtig en jong, kuis en zinnelijk tegelijk. Samen met de ode aan een ongerepte natuur en een sterke hang naar het 'oergebeuren' heeft deze instelling wel enige verwantschap met de edelgermaanse ideologie, maar dan ontdaan van alle fascistische trekken. Begrijpelijk is dit verlangen naar zuiverheid en natuurlijkheid overigens zeker in onze geteisterde eeuw, en Giono heeft tijdens zijn leven bijna als een goeroe velen om zich heen verzameld en weten te inspireren.
Na de oorlog werd Giono door een absurd en pijnlijk misverstand vier maanden gevangen gehouden op grond van vermeende collaboratie. Hij was allesbehalve een fascist. Hij was vol afschuw uit de eerste wereldoorlog teruggekomen, en was sindsdien overtuigd pacifist. Deze humanist in hart en nieren kon men hoogstens een in die periode wat naïef geloof in de verzoening aanwrijven. Hij hield van het leven tot en met de droesem in de kelk. In een naschrift bij Noé (Noach) laat hij God zeggen:
En ik zei tegen Noach - zoals ik het kan zeggen tegen ieder mens: Laat binnen in je hart alle vlees van wat op de wereld is om het in leven te houden samen met jou . . . en ik zal mijn verbond sluiten met jou.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.