recensie Je moet maar durven. In 1996 verscheen 'Hoe God verdween uit Jorwerd' van Geert Mak, drie jaar later gevolgd door 'De eeuw van mijn vader'. Het tweede boek was dankzij de knappe verwevenheid van persoonlijke en nationale geschiedenis een nog grotere bestseller dan het eerste, dat een symbool werd voor de teloorgang van het plattelandsleven. En nu komt journalist Chris van Esterik met een boek over honderd jaar Ingen, het dorp in de Betuwe waar zijn vader caféhouder was.
Opnieuw een geschiedenis van grote veranderingen, nu tegen een decor van bloeiende boomgaarden, standsverschil en saamhorigheid en de steenfabriek in de uiterwaard. Opnieuw die journalistieke aanpak: informatie uit interviews met oude en nieuwe dorpsbewoners, gecombineerd met gegevens uit plaatselijke archieven en door anderen verricht wetenschappelijk onderzoek en dat alles aan elkaar geschreven door een direct betrokkene die er toch van een afstandje naar probeert te kijken.
De allereerste indruk is dat Van Esterik het kunstje nog eens wil overdoen. Hij moet nogal wat scepsis overwinnen. Naarmate het verhaal over zijn geboortedorp vordert, slaagt hij daar steeds beter in. De gouden formule doet z'n werk. Je raakt hoe langer hoe meer geboeid door de lotgevallen van het Betuwse dorp, en hoewel je de afloop wel kunt voorspellen, wil je toch weten hoe het de nazaten van de herenboer vergaat en wat er wordt van het café.
Het is goed dat dit allemaal is opgeschreven. Niet om te verwijlen bij hoe goed het vroeger allemaal was. Want de ondertoon is er een van barre armoede en dat duurde voor veel mensen zeker tot en met de tweede wereldoorlog. Het dringt weer eens tot je door hoe erbarmelijk het onderwijs was, hoe onaantastbaar de positie van de huisdokter, zodat deze notabel maar raak kon rommelen, tot diep in de twintigste eeuw. Wie zou daarnaar terugverlangen?
Het is goed omdat Van Esterik, waarschijnlijk ondanks zichzelf en ondanks alle veranderingen, juist de continuïteit laat zien. Dat de aandacht die de weidevogels krijgen in het structuurplan 2002 past in hetzelfde systeem dat in de jaren vijftig de ruilverkaveling voortbracht. De ingenieurs van nu die het landschap willen 'terugknutselen', zijn net zo modernistisch als degenen die een halve eeuw geleden ingrepen om de economische positie van de boer te verbeteren.
In 1900 had negentig procent van de ruim vijftienhonderd inwoners van Ingen geen kiesrecht omdat hun inkomen daar te laag voor was. Het waren boeren, arbeiders en middenstanders.
Samen met het naburige Lienden en Ommeren vormde Ingen één gemeente. De inwoners waren in overgrote meerderheid Nederlands hervormd, al verschilde de mentaliteit van Ingen drastisch van die van Lienden: Lienden was zwaar op de hand, Ingen niet. De animositeit tussen beide dorpen uitte zich behalve in periodieke vechtpartijen ook in pogingen van christelijke raadsleden uit Lienden om de populaire Ingense kermis te verbieden. Tevergeefs overigens.
De arbeiders werkten bij de boeren of op de steenfabrieken langs de Rijn, die de Betuwe scheidt van de Utrechtse Heuvelrug. De afstand tussen boeren en arbeiders was minder groot dan bijvoorbeeld in Groningen, maar de standsverschillen waren niettemin duidelijk. Vooral wie op de steenfabriek werkte, had het zwaar. Daar duurde het seizoen van april tot en met september. In de winter moesten ze maar aan de kost zien te komen bij de boeren. ,,Arbeiders moest je kunnen inkuilen'', zei een directeur van de steenfabriek.
Om in hun eerste levensbehoeften te voorzien bewerkten de arbeiders hun tuinen en mestten ze een varken. Gezinnen die het niet redden, werden gesteund door de diaconie, die feitelijk fungeerde als de gemeentelijke sociale voorziening.
De gemeenteraad werd bevolkt door boeren en middenstanders, die de zaken regelden en op hun beloop lieten naar eigen goeddunken. Hoe hoofdonderwijzer Willem Alexander Renardel de Lavalette aan het begin van de twintigste eeuw ook smeekte om verbetering van de armzalige omstandigheden waarin hij les moest geven - stank, stront, ongedierte - hij kreeg geen gehoor.
Aanwijzingen van hogerhand dat er iets gedaan moest worden aan de hemeltergende woonomstandigheden werden jarenlang genegeerd. In 1925 nog was er een woning van 3 bij 4,5 meter waarin zeven mensen woonden.
Pas in 1931 deed de eerste arbeider zijn intrede in de gemeenteraad. Op zichzelf was deze SDAP'er geen revolutionair, maar alleen al zijn aanwezigheid zorgde ervoor dat de verhoudingen van 'ons kent ons' voorgoed waren verstoord. Zo besloot de raad in de crisisjaren tot een gemeentelijke steunregeling.
Baken van erbarmen in deze door standsverschillen gekenmerkte samenleving was herenboer Pieter van Westrhenen. Telkens duikt hij op als wijze bemiddelaar en milde werkgever. Midden in de crisisjaren - de vraag naar baksteen keldert - besluit hij de grote ploeg naar de zolder van zijn schuur te hijsen, zodat hij meer knechts te werk kan stellen.
Van Westrhenens zoon, 'de jonge Pieter', onderhandelt in 1949 als wethouder met provinciale bestuurders over sociale woningbouw in Ingen. Het wil niet echt vlotten, want de herenboer bepleit ruim bemeten percelen om de arbeiders in de gelegenheid te stellen in hun vrije tijd hun eigen producten te telen. De gedeputeerden willen daar niets van weten: ,,Zij staan op het standpunt dat een arbeider als hij des avonds van zijn werk thuiskomt, niet opnieuw aan de slag behoeft te gaan'', aldus de gemeentesecretaris in zijn verslag. De lonen moeten gewoon zo zijn dat ze niet meer hoeven bij te verdienen. ,,Dit verschil in ideeën tussen gemeentebestuur en provinciaal bestuur is oorzaak van een vrijwel voortdurende worsteling.''
De herenboer zal mogelijk bedenkingen gehad hebben tegen hogere lonen voor zijn arbeiders, maar aan de andere kant moet hij ook gedacht hebben, schrijft Van Esterik, dat de gedeputeerden niet doorhadden dat ze de arbeiders en de knechten zo een manier van leven afnamen, die tot een zekere mate van autonomie had geleid.
Van Esterik gebruikt deze episode om aan te tonen hoe het dorp langzamerhand zijn autonomie verliest, een belangrijk motief in het boek. Niet alleen de arbeider levert in, ook de boer en het dorp als geheel. Het bestuur komt steeds verder van de inwoners af te staan. Veranderingen worden afgedwongen van buitenaf: betere wegen (om het fruit sneller in de steden te krijgen), de ruilverkaveling in de jaren vijftig (om de boerenstand vooruit te helpen), de wetten van de markt en schaalvergroting in de boomgaarden (afgedwongen door de Europese Gemeenschap), en de samenvoeging van Ingen en Lienden met Buren en Maurik in 1999.
Onwrikbaar geachte instituten gingen intussen te gronde. De herenboerderij van Pieter van Westrhenen moest in 1972 verkocht worden. Reden, volgens zijn eigen zoon: vader had nooit een vak geleerd. Van jongs af aan was hij gewend geweest dat er altijd geld was, had hij allerlei bestuurlijke banen, terwijl de arbeiders het bedrijf aan de gang hielden. Geleidelijk verdwenen de arbeiders en moest de boer zelf het werk doen, en dat kon hij niet. De herenboerderij werd gekocht door een voormalige keuterboer die door hardwerken een van de succesvolste ondernemers van Ingen werd.
Indringend schetst Van Esterik de cyclus waaraan een succesvolle fruithandelaar van deze tijd onderworpen is. De handel bestrijkt vanuit Ingen heel Europa. Maar tussen 1968 en 1988 daalde de oppervlakte aan fruitbomen in Nederland van 48000 naar 22000 hectare. Om te voorkomen dat de sloten verontreinigd worden met de bestrijdingsmiddelen - die volgens de gebruikers zo onschuldig zijn dat je ze wel zou kunnen opdrinken - zijn de fruittelers tegenwoordig verplicht hoge 'emissieschermen' aan te planten; om allerlei redenen dreigen dat vooral coniferen te worden. ,,In de toekomst kun je de bloesem alleen nog per vliegtuig bekijken'', bromt een van hen.
Intussen hield het café van Van Esterik senior stand, zij het met een andere eigenaar. Het fruitcorso en de toneelvereniging de Rederijkers zijn overeind gebleven. Ondanks de komst van veel import lijkt de 'volksaard' van de Ingenaar betrekkelijk onveranderd. Altijd in voor een feestje en niet al te zwaar op de hand. Zo was het aan het begin van de eeuw, toen er voor de meesten op het oog weinig reden tot feesten was, en zo is het nog steeds, nu het wel lijkt of het alle dagen feest is.
De verschillen met Lienden zijn eveneens gebleven. Hoewel Van Esterik geen blijk geeft van al te grote gevoeligheid voor de schakeringen van het hervormde leven, komt hij tegen het eind van zijn boek met een opmerkelijk verhaal van de huidige dorpsdokter. Waar de Ingenaren hun lot, ook als het ongunstig is, kalm aanvaarden - ,,het zijn geen mensen die het je aandoen'' - komt het in Lienden voor dat kerngezonde zeventigers zich melden bij de huisdokter. De (rooms-katholieke) arts herkent inmiddels de symptomen en vraagt ze dan op de man af: ,,Ben jij wel geroepen?'' Want daar komen de klachten dan vandaan. Wie niet geroepen of uitverkoren is, gaat naar de hel, gelooft deze kleine groep zeer zware hervormden. De huisarts moet wel eens sterfbedden rekken, omdat de familie tot het laatst hoopt dat God nog genade zal verschaffen.
'Een jongen van het dorp' is een geslaagd boek. Soms schiet je in de lach, af en toe kun je wel huilen, maar het is allerminst sentimenteel. Al giert de nostalgie door de alinea's, Van Esterik bezweert: die ideale samenleving van vroeger heeft nooit bestaan, zij bestaat alleen maar in de verhalen. En zo zal zij blijven bestaan. Vertederd beschrijft hij de dreumes die rondscharrelt in wat vroeger het café van zijn vader was en die net als hij boven het café werd geboren. ,,Over vijftig jaar zal het patina van de tijd over de muziekcomputer van haar vader zijn gegaan en zal ze de herinnering eraan net zo koesteren als ik aan de wurlitzer van mijn vader.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.