*

 

Neusje van de zalm op nieuwjaarstoast

Armand Serpenti − 06/01/03, 00:00

recensie Het Bimhuis verhuist over enige tijd van de Amsterdamse binnenstad naar een hypermodern muziekcentrum aan de IJ-oever. Het is nog maar de vraag of de intieme ambiance van het zaaltje aan de pittoreske Oude Gracht behouden blijft. Bomvol was het er weer, afgelopen vrijdag tijdens het Nieuwjaarsconcert. En met het publiek praktisch op schoot bij de muzikanten hing er een onvervalste clubsfeer. Met zichtbaar plezier vond het neusje van de zalm uit de Amsterdamse geïmproviseerde muziekscene elkaar in een toast op 2003.

Openingsact was Available Jelly, een sextet dat midden jaren zeventig werd opgericht door saxofonist, klarinettist Michael Moore en drummer Michael Vatcher. Beiden speelden in het begeleidingsorkest van een Amerikaans theatergezelschap en bleven na afloop van een tournee door ons land in de hoofdstad hangen; sindsdien zijn ze niet meer weg te denken van de nationale jazzpodia. Samen met onder anderen cornettist Eric Boeren, trombonist Wolter Wierbos en tenorsaxofonist Tobias Delius, trakteerden zij het publiek op een gevarieerde set waarin serieus aandoende experimenten afwisselden met swingend en uiterst feestelijk repertoire. Terwijl de blazerssectie gretig verwees naar theatrale 'marching band'-muziek, blonk gasttoetsenist Cor Fuhler uit in het zorgvuldig buiten de geijkte context plaatsen van allerhande clichés.

Rijkelijk vloeiden de komische noten, maar melig werd het nooit. Daar is de bagage van deze musici te zwaar voor. Elke schijnbaar willekeurige graai in een koffer vol ervaring viel als een maatpak over het totale muziekgebeuren. Sublieme instrumentbeheersing liet het koper geanimeerd spreken: smakgeluiden (compleet met consumptie in de vorm van lange slijmdraden die uit de trombone van Wierbos dropen) en kwetterende vrolijkheid, klonken naast diepe zuchten en lyrische triestheid.

Als altijd blonk Vatcher uit in kleurrijk drumwerk dat hij paarde aan ongenadig pakkende swing. Onconventionele speeltechnieken mengden verrassende kleuren op het jazzpalet. Fuhler ging daarbij zelfs zo ver een viool aan zijn (geprepareerde) piano te koppelen. Deze 'keyoline', zoals hij het noemt, is een tweesnarige viool waarop hij, via een zelfbedacht mechanisme, de linkerhand met keyboardtoetsen bespeelt terwijl de rechter de strijkstok hanteert.

Waar Fuhlers keyoline Available Jelly als een veelkleurige drilpudding naar binnen liet glijden, kwam de cello van Ernst Reijseger als extra ingrediënt in Franky Douglas' formatie Sunchild, later op de avond, een stuk minder goed uit de verf. De oorspronkelijk en expressief solerende Reijseger stal weliswaar de show in een prachtig, met salsa-akkoorden puntig doorwrochten, duet met pianist Glenn Gaddum, maar raakte gaandeweg de set bedolven onder een lawine van nootjes.

Grootste snarenacrobaat was wel de overdadig virtuoze basgitarist Lesley Joseph die zijn hectische soli voorzag van vrijwel alle elektronische effecten die er ooit voor het instrument zijn bedacht. Het matig uitgebalanceerde klankbeeld liet ook de akoestische gitaar van Douglas niet loskomen van de achtergrond, waar de bandleider niettemin driftig bezig bleef de ritmesectie - met wederom Vatcher achter de kit en een West-Afrikaanse percussionist op de obligate djembé - tot het kookpunt op te stoken. Met een enorme drijfkracht, spetterende soli van deels dezelfde blazers als eerder op de avond, gelardeerd met het geluid van brekende champagneglazen, werd de uitbundige zaal helemaal platgespeeld.

mailIcon print |