recensie ,,Tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië (1942-1945) werden ca. 100 000 Europese vrouwen, mannen en kinderen in burgerkampen geïnterneerd', luidt de eerste zin van de studie van historica Esther Captain, ,,Achter het kawat (prikkeldraad, red.) was Nederland'. Wat heeft de oorlog met die honderdduizend gedaan en wat deden zíj ermee? Daarop probeert dit diepgaande onderzoek naar Indische oorlogservaringen en -herinneringen vanaf 1942 tot op heden een antwoord te geven.
Het boek 'De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog' van Dora van Velden was tot nu toe het enige goede wetenschappelijke overzichtswerk op dit terrein, maar tevens het laatste. Het verscheen in 1963 en sindsdien zijn er enige honderden nieuwe publicaties bijgekomen met nieuwe bronnen en nieuwe inzichten. Esther Captain (1969) heeft nu met grote ijver en voortvarendheid gepoogd een halve eeuw van Indische dagboeken en memoires in een historische context te plaatsen. Andere bronnen zoals romans, verhalen, en egodocumenten worden uiteraard ook gebruikt, maar de nadruk ligt nauwgezet op dagboeken en memoires, zo'n dertig in totaal.
Dora van Velden was destijds nogal terughoudend over het raadplegen van zulke sterk persoonsgerichte bronnen. Captain laat echter duidelijk zien dat ook met zulke 'beperkte' bronnen een waarheidsgetrouw en overtuigend beeld kan worden opgeroepen. Los van het feit dat, zoals een andere historica schreef, 'de verwerking van dit oorlogsverleden traag verloopt en mythen blijven bloeien'.
De auteur stelt drie thema's centraal. Ten eerste: Hoe werd er in de kampen, en later, gedacht over de raciale verhoudingen -eenvoudig gezegd: hoe was de verhouding tussen blank en bruin? Vervolgens: Hoe waren de sekseverhoudingen? Waren mannen en vrouwen in de kampen gelijkwaardig? En ten derde: Hoe dacht men over verleden en heden? Hoe koloniaal bleef men denken, voor en na de bevrijding?
De onderzoekster verdeelt deze drie thema's ook nog eens in vijf duidelijk van elkaar gescheiden tijdperken: de kamptijd zelf, de repatriëring, de aanpassing in Nederland, het naar buiten brengen van kampherinneringen, en als laatste: hoe Indisch wilde men in Nederland blijven?
Duidelijk mag zijn dat het boek een zeer breed onderzoeksterrein bestrijkt, en op die lange weg sneuvelt een groot aantal veelgehoorde vooroordelen en foutieve beweringen, zoals de grote saamhorigheid in de vrouwenkampen, de aanhankelijkheid van de gewezen bedienden, de goede verstandhouding in de kampen tussen volbloed Nederlanders en Indo-Europeanen.
Wat er nu echt gedacht en gevoeld werd, maakt Captain in heldere bewoordingen duidelijk. En dat is hard nodig, omdat er de laatste tijd sprake is van 'een Indische herinneringsconjunctuur' waarin de historische werkelijkheid bij tijden geweld wordt aangedaan. Daarom is deze wetenschappelijke studie van eminent belang. Wat de zaken extra gecompliceerd maakt, is dat de meningen naar buiten over bijvoorbeeld de verschrikkingen van de bersiap-tijd, de rol van president Soekarno of de situatie buiten de kampen vaak per tijdperk verschillen, worden bijgesteld of zelfs lijnrecht tegenover elkaar staan.
Captain weet de grote lijnen goed in de hand te houden, al gaat zij in kleine zaken soms wat te ver in het hineininterpretieren. Als een Indo-Europese dame in een gesprek met een Japanse officier het Indonesische woord 'wij' gebruikt, spreekt Captain over een 'zelf-positionering van haar dubbele raciale herkomst' - terwijl de wij-vorm in het Indonesisch de voorkeur heeft boven de ik-vorm. Een taalkundig probleem, denk ik. Maar dat is detailkritiek, want in een werk met zoveel horizontale en verticale verhaallijnen is zoiets niet doorslaggevend.
Het boek is het meer dan waard door een groot publiek gelezen te worden, al was het alleen al om de demythologisering van nog steeds gehoorde vertekende opvattingen over -inderdaad- ras, sekse, en koloniaal denken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.