*

 

Steentjes keilen met Bush

Eric Brassem − 08/02/03, 00:00

recensie Bij zijn aantreden gold George W. Bush als een president die zo weinig mogelijk te maken wilde hebben met het grote buitenland, bevolkt door 'Griekenlanders' en andere exoten. De aanslagen van 11 september 2001 hebben het buitenland bij Bush op de stoep gegooid. En sindsdien reikt diens ambitie verder dan de landsgrenzen: ,,Ik zal de gelegenheid gebruiken om grote dingen te verwezenlijken', bekent hij tegenover Bob Woodward. ,,En er is niets groters dan wereldvrede.'

De journalist Woodward bereikte eeuwige roem, toen hij met Carl Bernstein, zijn collega van de Washington Post, het Watergate-schandaal onthulde. Een bestseller was zijn boek, dat oorspronkelijk alleen maar zou gaan over de eerste honderd dagen van Bush als president, hoe dan ook geworden. Dankzij 11 september kreeg het een actualiteitswaarde en relevantie die de verkoopcijfers nog een eind verder opjoegen.

Voor Woodward openden zich deuren die voor anderen gesloten blijven. Hij kreeg inzage in de notulen van de vergaderingen van de Nationale Veiligheidsraad. Daarin besprak de president met zijn meest betrokken ministers en adviseurs wat te doen na de aanslagen. En Woodward had toegang tot de hoofdrolspelers: minister van buitenlandse zaken Colin Powell, minister van defensie Donald Rumsfeld, CIA-directeur George Tenet, veiligheidsadviseur Condoleezza Rice, vice-president Dick Cheney, en de president zelve.

Zo was Woodward in augustus vorig jaar te gast op de ranch van Bush, een voorrecht waarvan veel buitenlandse staatshoofden dromen. De twee mannen wisselden daar van gedachten, terwijl ze steentjes keilden (veiligheidsadviseur Condoleezza 'Condi' Rice bleef achter in de auto, want ze had niet de juiste schoenen aan). Ouwe jongens krentenbrood.

Op de ranch legde Bush zijn diepere motivatie aan Woodward uit. ,,Een verandering van regime in Irak, als we doorzetten, zal strategische implicaties hebben. Maar wat mij betreft ligt daar nog iets onder, en dat is dat daar ontzettend geleden wordt.'

Dan begint de president over nog een ander land dat behoort tot de 'as van het kwaad': Noord-Korea. Woodward schrijft: ,,'Ik walg van Kim Jong-il!', riep Bush en zwaaide met zijn vinger in de lucht. 'Ik word fysiek onwel van die vent, omdat hij zijn eigen volk uithongert. (...) Misschien door mijn geloof, misschien. Maar dit raakt me diep.'

Woodwards boek staat bol van de toespelingen op zijn geweldige contacten met de Groten in het Witte Huis en de inzage die hij heeft gehad in stukken waarop met koeien van letters (in zijn boek, althans) 'TOP SECRET' en 'FOR YOUR EYES ONLY' staat. Wat Woodward uit die stukken citeert en wat niet, weten we niet. Maar het vermoeden rijst dat Woodward, in ruil voor al die fantastische informatie en contacten, deals heeft gesloten.

Al te lastig maakt hij het de hoofdrolspelers niet. Zo verhaalt Woodward hoe Colin Powell met veel pijn en moeite in augustus 2002 Bush inzake Irak heeft overgehaald: de VS moeten niet eenzijdig tot actie overgaan, maar binnen VN-verband een brede coalitie zoeken die Irak dwingt tot ontmanteling onder toezicht van VN-wapeninspecteurs.

Maar Powell wordt genadeloos onderuitgehaald door zijn twee grote tegenstrevers, Dick Cheney en Donald Rumsfeld. Terwijl Powell op de BBC het belang van de terugkeer van de wapeninspecteurs benadrukt, keert Cheney zich in een toespraak tégen de terugkeer van inspecteurs. Dat zou de wereld maar met valse hoop vervullen. En Rumsfeld betoogt tezelfdertijd hardop dat de VS desnoods alleen ten strijde moeten trekken. Het had voor de hand gelegen als Woodward deze poging om Powell te saboteren had onderzocht, maar nee.

Ondanks alles wat je ertegen kunt inbrengen, biedt dit boek een unieke blik achter de schermen op het functioneren van Amerikaanse regeringen, de angstaanjagend grote macht daarin van één man, de president, en hoe deze regering zich teweer stelde tegen de 'uitdagingen' na 11 september.

Het grootste deel van het boek gaat over de overwegingen die leidden tot de aanpak van het Al-Kaida van Osama bin Laden in Afghanistan, en de complicaties daarbij. Dat is, nu de wereld weet hoe dat is afgelopen en alle ogen gericht zijn op Irak, oud bier, maar niettemin fascinerend om te lezen.

Voorzover blijkt uit Woodwards verslag is er in de regering geen discussie geweest over wat Washington te doen stond in het geval dat de Taliban (de machthebbers in Afghanistan die nauwe banden onderhielden met Al-Kaida) zouden breken met Osama en diens organisatie. Gelukkig voor Bush c.s. waren de Taliban niet zo slim als Saddam: op papier meewerken, maar in de praktijk op de oude voet doorgaan.

Bush wilde, mede met het oog op de publieke opinie, zo snel mogelijk overgaan tot actie; en die moest méér behelzen dan het afvuren van wat kruisraketten. Maar te raken doelen waren in Afghanistan dun gezaaid. Minister van defensie Rumsfeld stond onder enorme druk om met een plan van aanpak te komen om de Taliban op te ruimen. Woodward parafraseert de beraadslagingen in de Nationale Veiligheidsraad: ,,Het ideale resultaat van deze campagne, zei Bush, zou zijn dat ze erin zouden slagen in een paar gebieden, waaronder Afghanistan, de terroristen eruit te schoppen en door die actie andere landen die in het verleden terrorisme hadden gesteund, zoals Iran, ertoe zouden bewegen hun gedrag te veranderen.'

Onthullend is Woodwards beschrijving van de activiteiten van CIA-agent Gary en de zijnen, die de geesten in Afghanistan rijp moesten maken voor een aanval. Dat deden ze met een pak geld, waarmee potentiële bondgenoten, behorend tot de 'Noordelijke Verzetsalliantie' tegen de Taliban, gekocht moesten worden - indachtig de wijsheid 'Je kunt een Afghaan niet omkopen, maar wel huren'.

Gary, een old hand in Afghanistan die Pasjtoen en Dari sprak, werd met enkele getrouwen en een koffer geld in Afghanistan gedropt in een Russische helikopter, precies zoals we die scènes kennen dankzij Hollywood. ,,Tussen zijn benen stond een grote metalen koffer met riemen eromheen, waarin drie miljoen dollar aan Amerikaans geld zat.'

Uit Woodwards verslag blijkt dat het gevaar 'Irak' al op 12 september, één dag na de aanslagen dus, ter tafel kwam. ,,Waarom pakken we niet ook Irak aan, en niet alleen maar Al-Kaida, vroeg hij (Rumsfeld). Voor de aanslagen had het Pentagon maandenlang gewerkt aan de ontwikkeling van een militaire optie voor Irak. Iedereen aan tafel geloofde dat de Iraakse president Saddam Hoessein een bedreiging vormde, een leider die eropuit was massavernietigingswapens te verwerven en misschien in te zetten. Als ze een serieuze, totale oorlog tegen het terrorisme begonnen, zou uiteindelijk ook Irak aangepakt moeten worden. Rumsfeld opperde de mogelijkheid dat ze gebruik konden maken van de door de terroristische aanslagen geboden gelegenheid om onmiddellijk achter Saddam aan te gaan.'

De regering besloot echter zich allereerst te concentreren op Al-Kaida, zo beschrijft Woodward, op aandringen van Powell en vice-president Dick Cheney. Bush zegt op 17 september: ,,Ik geloof dat Irak ermee te maken had (met '11 september'), maar ik ga ze nu nog niet aanvallen. Ik heb het bewijs in dit stadium nog niet.'

Een halfjaar later (april 2002) begon president Bush openlijk te hameren op de noodzaak van een 'regimeverandering' in Irak. In die tussentijd was Bush dus óf overtuigd geraakt van het bewijs van Iraks schuld aan de aanslagen óf hij vond dat Irak zo'n groot potentieel gevaar vormde dat het regime hoe dan ook moest worden 'veranderd'. Nog een mogelijkheid: Bush was bevangen geraakt door andere motieven van strategische aard, olie bijvoorbeeld, een motief dat in Woodwards boek nauwelijks ter sprake komt.

Woodward laat de lezer achter met het raadsel van Bush' bekering. Hij laat ook een relevant feit onvermeld en onbehandeld: dat enkele sleutelfiguren in Bush' regering, onder wie vice-minister van defensie Paul Wolfowitz en zijn baas Rumsfeld, zich al sinds 1998 beijveren voor ingrijpen in Irak - twee jaar voordat ze in de regering kwamen, dus.

Woodwards boek beschrijft een hoop feiten, deels nieuw, die inzichtelijker maken hoe de ophanden zijnde oorlog tegen Irak op gang gekomen is - al is het laatste woord daar nog lang niet over gezegd. Maar vraagtekens plaatsen doet Woodward niet.

Dezer dagen verschijnt nog een boek van een Amerikaanse auteur in Nederlandse vertaling, dat niets anders beoogt dan het plaatsen van vraagtekens bij de Amerikaanse buitenlandse politiek. 'Schurkenstaat' luidt de provocerende titel, want het gaat niet over Irak, Iran of Noord-Korea, maar over de 'grootste schurkenstaat ter wereld': Amerika.

Auteur William Blum, oud-medewerker van het ministerie van buitenlandse zaken, publiceerde zijn boek al in 2000, maar voegde er in herdruk een voorwoord aan toe in verband met de aanslagen van 11 september. Bij alle hypocriete retoriek over Amerika's onschuld en streven naar een rechtvaardige wereld, zou Blums boek een verademing kunnen zijn. Het bevat enkele verhelderende samenvattingen van de, vaak weerzinwekkende, Amerikaanse (CIA-) bemoeienissen met landen in Latijns-Amerika, Azië, het Midden-Oosten, Afrika en (zelfs West-)Europa.

Blum zet een aantal half of geheel vergeten kwesties en feiten nog eens op een rijtje, zoals wapenleveranties aan schurkenstaten als Irak, of het missiewerk van de SOA, wat niet staat voor Seksueel Overdraagbare Aandoening, maar voor School of the Americas. Daarin kregen officieren van 'bevriende naties' onder meer les in het 'ondervragen' van verdachten, het terroriseren van bevolkingsgroepen die wel eens sympathiek tegenover communistische rebellen zouden kunnen staan, en het plegen van staatsgrepen.

Hij citeert ook een paar minder politiek-correcte Amerikaanse militairen, zoals generaal William Looney, die waakt over de no-fly zones boven Irak: ,,Als ze hun radars aanzetten, zullen we die verdomde luchtdoelraketten van ze opblazen. Ze weten dat wij hun land bezitten. Wij bezitten hun luchtruim. (...) En dat is wat er zo geweldig is aan Amerika op dit moment. Het is een goede zaak, vooral als daar een heleboel olie is die wij nodig hebben.'

Blum plaatst vraagtekens bij het begrip 'terrorisme' als geweld tegen de bevolking voor het bereiken van politieke doeleinden aan de hand van Jamie Shea, die in 1999 namens de Navo uiteenzette waarom bombardementen op niet-militaire doelen in Servië gerechtvaardigd waren: ,,Als president Milo-sevic echt wil dat zijn hele volk water en elektriciteit heeft, dan is al wat hij hoeft te doen de vijf voorwaarden van de Navo accepteren, en we zullen stoppen met deze campagne'.

Blums boek biedt geweldig materiaal voor een geweldig boek. Helaas: de man draaft geweldig door. Hij presenteert met ergerlijk aplomb omstreden historische interpretaties als onomstotelijk bewezen feiten en gooit het ingrijpen in Joegoslavië, gesteund door de Navo-landen en de Algemene Vergadering van de VN, in dezelfde categorie als de Varkensbaai-invasie in Cuba: allemaal Amerikaanse interventies, nietwaar?

mailIcon print |