opinie Het is wonderlijk: je verlaat Amsterdam voor een toneelvoorstelling 'in de provincie' - nou ja, wat heet: Hoofddorp onder de rook van deze grote stad. In schouwburg 'De Meerse' geeft de Haarlemse toneelgroep Het Volk de première van zijn nieuwe stuk, en een volle zaal beloont een melig gezongen levenslied of een wat belegen snaaksigheid met opgetogen applaus, is van een ongekende goedlachsheid en rijst opgetogen aan het eind onmiddellijk uit de stoelen. Ik had wel te doen met ons recensenten die, door de schouwburg overzichtelijk op één rijtje naast elkaar gezet, een eilandje van zure onaangedaanheid in het midden van de zaal vormden.
Met een zucht van ongeloof zag ik het in het verleden toch veel door mij bejubelde Volk in de voorstelling 'Vlegeljaren' afdalen naar het rijke roomsche leven, meestal van de vroege jaren vijftig met maatregelen die de jongensclub van Adrie, Wijnand en Siem nemen rond hun hut in het bos tegen de naderende atoombom, en het reikhalzend uitzien van Wijnand, door moeder en pater Hutjes geschikt verklaard voor het seminarie, naar de wulpse negerinnen van Donker Afrika. Maar op andere momenten zitten we meer in de jaren zestig, met de donderpreek van de pater tegen werkende moeders, zodat de kinderen, om vier uur uit school, een leeg huis vinden, geen warme thee onder de muts en de verleiding zich over te geven aan de geneugten van 'mari jawana'.
'Vlegeljaren', dat door de drie makers en spelers eerder als een cabaret dan als theater wordt gebracht, gaat op twee punten de mist in. In de eerste plaats blijven Bert Bunschoten en de broers Joep en Wigbolt Kruijver, in korte broek, kniekousen en jongenshemd (alleen de seminarie-rijpe Wijnand draagt een das en een jasje) angstvallig dicht bij de meest platgetreden paadjes van de jaren vijftig met de jongensclub uit het jongensboek, de bloedbroederschap, het zoeken van kogels in de duinen, het doorstaan van martelingen ter verdediging van het katholieke geloof, en natuurlijk het obligate gesmoes over zaadlozingen, zelfbevlekkingen en hoe je die ook zelf op gang kunt brengen.
Zo verrassend en tegendraads de vondsten van Het Volk eind jaren tachtig en in de jaren negentig waren, zo braaf waren ze nu, ondanks een fraai decor van Jan Heijer, zetstukken van houten plankjes, bomen en dieren voorstellend, en de vertrouwde regie van Aike Dirkzwager. Soms licht het roemruchte taalgevoel van de drie nog even op, zoals wanneer Adrie twee kaarsen voor zijn gestorven moeder heeft 'afgestoken'.
In de tweede plaats lijken de drie met on-Volkse ernst, melancholie en heimwee terug te blikken naar het verre verleden. Pater Hutjes, die in beeld komt zodra een van de drie een eng-gladde kwezelbaard heeft omgebonden, is een bevlogen pedagoog die veel van zijn jongens houdt, overigens zonder dat er makkelijke grappen over de pederastie worden gemaakt. Aan het slot, als de pater in capucijner pij en baret wordt gehuld, maken we zoiets als een aubade aan de wijsheid en liefde van de katholieke opvoeding mee. Dat mag zo zijn, ik werd in deze voorstelling daar beslist niet door begeesterd. Twee jaar geleden, bij het 25-jarig bestaan van Het Volk, verklaarden ze voorlopig nog wel te blijven spelen, 'want aan enige vorm van pensioenopbouw hebben wij natuurlijk nooit gedaan. ... Het lijkt ons wel een aardige gedachte om als oude opa's nog op het toneel te staan. Maar het moet wel kunnen. Want aan drie Alzheimers heb je ook niks'. Waarvan acte.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.