recensie Wanneer de zwaardvechter, de gladiator, in het Romeinse Colosseum de strijd met zijn zwaardbroeder had verloren, en van volk noch keizer genade kreeg, werd er van hem verwacht dat hij dapper zou sterven: ,,Hij klemde de handen op de rug of om de benen van zijn overwinnaar en boog diep. Meestal deed hij zijn helm niet af, zodat zijn tegenstander de laatste blik van de stervende niet hoefde te zien, en wachtte op de doodsteek in de nek of tussen de schouderbladen. En terwijl hij volgens het Romeinse jargon 'het ijzer ontving' (ferrum recepit), schreeuwde het volk habet, hoc habet (hij heeft het).''
Op deze manier aan zijn einde gekomen, werd hij door dragers overgebracht naar het spoliarium, een ruimte direct naast het amfitheater waar hij van zijn wapens werd ontdaan. ,,Om er zeker van te zijn dat hij echt dood was en niet de dood veinsde om zo te overleven, werd zijn keel doorgesneden.'' In dit soort van sobere bewoordingen doet Fik Meijer, hoogleraar Oude Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, verslag van wat in het aanbod van 'brood en spelen' aan het volk van Rome het neusje van de zalm vormde, het sterven van de gladiatoren in het middagprogramma van de spelen.
De pen van Meijer weet ruikbaar de weeë geur van bloed uit zijn beschrijvingen te laten opstijgen. Het zwaartepunt van het boek wordt dan ook gevormd door het hoofdstuk waarin we, geleid door de schrijver, 'een dagje Colosseum' meemaken. Een dag van weerzinwekkend veel bloed, om te beginnen het bloed van de wilde dieren die in het ochtendprogramma bij de onderlinge dierengevechten gedood worden, daarna de jachtpartijen op struisvogels, antilopen, gazellen, herten en ezels. ,,Na enige tijd was de arena veranderd in een bloedrode vlakte met honderden kadavers. Stalknechten schoten toe om alles op te ruimen en het vuile zand te vervangen. Wanneer de arena weer een schone aanblik bood, begon een nieuwe slachtpartij.'' In de opgaande lijn die vermaak hoort te bieden, was het dan de beurt aan beren, tijgers, luipaarden, leeuwen en olifanten om door jagers gedood te worden, al werd de jager een enkele keer zelf het slachtoffer van het getergde wild.
Bij het lunchpauzeprogramma verliet een aantal toeschouwers het amfitheater om een hapje te gaan eten. Anderen, onder wie keizer Claudius, bleven juist aan hun zitplaats verankerd om dit tussenprogramma niet te missen: de executies van misdadigers. Romeinse burgers mochten doorgaans het geluk smaken bij een veroordeling snel door het zwaard geholpen te worden; anderen werden voor de wilde dieren gegooid, aan het kruis gehangen of verbrand. Ook christenen stond regelmatig een van de laatste drie executies te wachten, of een combinatie, bijvoorbeeld genageld aan een kruis een Schotse beer de buik te moeten bieden om aan flarden te worden gereten.
Dankzij de tirades van een christelijk schrijver als Tertullianus (eerste helft derde eeuw) weten we vrij veel van die lunchpauzeprogramma's af. Zo hadden organisatoren van de spelen en het publiek aardigheid in mythologische voorstellingen, en traden er twee figuren op, verkleed als Charon, de veerman die de zielen der gestorvenen over de doodsrivier zet, en de god Mercurius die de zielen op hun laatste tocht begeleidt. Mercurius prikte met een gloeiende pook in de lichamen der veroordeelden om te zien of ze echt dood waren, en Charon sloeg met een hamer hun schedel in. Het personeel trok vervolgens de lijken met vleeshaken uit de arena.
Voor het middagprogramma waren alle toeschouwers weer terug op hun plaatsen. De strijd tussen de gladiatoren laat Meijer voorafgaan door een uitvoerige beschrijving van de oorsprong en ontwikkeling van de gladiatorenspelen, de verschillende typen strijders en allerlei faits divers zoals hun opleiding, levensverwachting (doorgaans haalde je de dertig niet) en kazerne- en liefdesleven. Verder komt de bouw en inrichting van het Colosseum breed ter sprake. Het boek biedt op deze manier een handzaam overzicht van dit wrede fenomeen in de westelijke helft van het Romeinse Rijk. Daarbij moet de lezer vertrouwen op Meijers deskun-digheid, want je kunt de schrijver niet verwijten dat hij uitvoerig zijn bronnen noemt. En als details vlot worden opgediend, vraag je je als lezer wel eens af waar Meijer die gevonden heeft. Zo verwijst hij naar een gedichtje van Martialis voor het verhaal van de executie van een vrouw in de stijl van de Kretenzische prinses Pasiphaë, die zich in een nagemaakte koe verstopte om met een stier te paren en zo de Minotaurus te baren. Volgens Meijer kreeg de vrouw in de arena ,,een koeienhuid omgehangen en haar vagina werd ingesmeerd met bloed van een tochtige koe. De details van de gewelddadige paring worden door Martialis niet gegeven, maar we mogen aannemen dat de vrouw deerlijk werd verminkt voordat ze met geweld om het leven werd gebracht''. Dat laatste zal best, maar over de manier waarop de executie wordt geënsceneerd, zwijgt Martialis óók. Waar komen die koeienhuid en dat tochtige bloed dan vandaan?
Het intrigerendst van Meijers boek is de vraag naar het waarom van de spelen, een vraag die hij heel terecht houdt binnen de grenzen van een persoonlijker geschreven Inleiding aan het begin, en een Epiloog aan het slot. Toch geeft hij geen bevredigend antwoord. Hij bedt de vraag in binnen een ander probleem: ,,Hoe zou ik mij hebben gedragen als ik hier urenlang had gezeten te midden van vijftigduizend Romeinen die juichten en joelden terwijl beneden in de arena door gladiatoren een bloedig spel met de dood werd gespeeld?'' Natuurlijk is de kans vrijwel 100 procent dat Fik
Meijer 2000 jaar geleden van harte had meegejuicht en gejoeld. Maar dat is het probleem niet, volgens mij. Het probleem is waar het onvoorstelbare sadisme van de Romeinen en hun navolgers op berustte. En ik vind dat je dan onderscheid moet maken tussen de gladiatorenshows en de andere onderdelen van het programma.
De massa van de toeschouwers wist wat het was soldaat te zijn: zo niet uit eigen ervaring, dan wisten zij dat hun voorvaderen, de boerenjongens van Italië, als legioensoldaten bij duizenden in de Belgische Ardennen, het Teutoburgerwoud of waar dan ook in de pan waren gehakt. Het gevecht van de gladiatoren was zinnebeeld van diezelfde virtus, dapperheid, mannelijkheid, voortreffelijke vechtersmentaliteit waarmee dat volkje van houwdegens de wereld aan zijn voeten heeft gelegd. Daar hoort veel sterven bij, ook in de arena. Net als bij de wagen-rennen (een volksvermaak dat trouwens nog populairder was dan de gladiatorenshows) is de kern van de emotie een zinderende zinnelijkheid die je terugvindt in het moderne voetbalstadion, en waarbij de wens dat alle joden aan het gas worden gelegd slechts gradueel verschilt van de 'gewende duim' van de keizer en het volk, dankzij welk gebaar de gladiator wordt omgebracht.
Anders is het gesteld met het sadisme waarmee misdadigers, christenen (voor Romeinen dezelfde categorie) en dieren op de gruwelijkste manieren aan hun eind werden gebracht. De totale leeuwenpopulatie van Noordafrika is onder de Romeinse keizers uitgeroeid, al kun je aan de andere kant van de balans noteren dat het christendom dankzij het bloed der martelaren bovenaan de kaart is komen te staan. Als enige (armzalige) verklaring voor dat sadisme kan ik bedenken dat de antieke mens in zijn leven het vreselijkste lichamelijke lijden kon verwachten in de vorm van abcessen, infecties en gezwellen. Hij kende geen pillen of injecties die zijn lijden dragelijk maakten. Misschien dat hij daardoor met minder weerzin en minder compassie, zo niet met genot, keek naar het lijden van anderen.
Toch ben ik er van overtuigd dat véél meer mensen dan de schrijver Tacitus of de christenen met weerzin naar de spelen keken. De reden dat wij daar niet meer informatie over hebben, is het thema van 'Massa en macht'. Zoals Meijer uitstekend laat zien in zijn boek, zijn de spelen direct verbonden met de macht van de keizer. In het geven van de geldverslindende shows, in de uitdelingen van het vlees van de kadavers en van andere cadeautjes na de spelen liet de keizer zijn volk terdege weten wie de macht had. Daartegen je verzetten kon Tacitus misschien onder de humane keizer Trajanus, of Tertullianus vanuit zijn christelijke isolement, maar kon een doorsnee-Romein zich niet veroorloven. En daarmee blijven de vernietigingen van dieren en mensen in het vermaakcircus van de Romeinen een weerzinwekkende inbreuk op hun erflaterschap van de Griekse cultuur.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.