recensie Eind jaren zestig, Argentinië. De tijd van de maanlanding en de introductie van de cassetterecorder. De achtjarige Argentijnse Valentin is van beide sprongen voorwaarts in de technologie even erg onder de indruk. Hij oefent de maanwandeling met gewichten op zijn voeten, en danst door de gang als de allereerste cassetterecorder het huis van zijn oma vult met snoeiharde muziek. Het zijn de geluksmomenten in een jeugd die verder weinig gelukkig oogt, maar waarover door de Argentijns-Nederlandse regisseur Alejandro Agresti wel lichtvoetig wordt verhaald. Complexloos en springerig zijn cameravoering en vertelstijl in het gedeeltelijk autobiografische 'Valentin', en dus in overeenstemming met hoe een achtjarige ook de naarste werkelijkheid tegemoettreedt. Een verdwenen moeder, een afwezige, egocentrische vader, een klaaglijke oma; de kletserige Valentin registreert de feiten van zijn leven onbevangen, al blijkt hij af en toe ook over een ouwelijke moraal te beschikken. 'Sommige mensen waarderen niet wat ze hebben', laat hij ons bijvoorbeeld via zijn voice-over weten.
Die weinig nostalgische onbevangenheid leverde Agresti in september een Gouden Kalf voor de beste regie op, maar gek genoeg schuilt in de terloopsheid ook de zwakte van 'Valentin'. De achtjarige Rodrigo Noya maakt van Valentin een bijzonder jongentje, die in zijn conversatie en motoriek een volwassen uitstraling paart aan kinderhoogte. Maar uiteindelijk zijn de observaties toch te speels en anekdotisch, en vooral te weinig verhullend, om een film lang voldoende gewicht te houden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.