*

 

Van Deyssel leeft weer

T. van Deel − 08/02/03, 00:00

recensie Meer dan tweeduizend bladzijden, de noten, de bibliografie en het register niet meegerekend, beslaat de biografie van Lodewijk van Deyssel (1864-1952), geschreven door de vijftig jaar geleden daartoe aangewezen Harry G.M.Prick, die bij zijn dood het beheer kreeg over de immense literaire nalatenschap. De twee delen vormen nu, met gemak, de meest volumineuze levensbeschrijving van een Nederlandse letterkundige, een soort 'Het Bureau' in het genre biografie. Er zijn mensen die een dergelijke omvang bezwaarlijk vinden en pleiten voor de meer samenvattende benadering, maar hoewel ik in het algemeen deze opvatting deel, in het geval van Prick en Van Deyssel, evenals in dat van Voskuil, buig ik voor het resultaat.

Kees Fens heeft eens, nota bene in het Letterkundig Museum zelf, de bewaarplaats van ons literair verleden, de lof gezongen van alles wat niet bewaard is gebleven, weggegooid, verbrand, verdwenen hoe dan ook. De open plek, ook in de levens van schrijvers, het juist ongedocumenteerde zou vleugels geven aan de biograaf, die dan moest gissen en met weinig gegevens toch een beeld moest scheppen van zijn personage. In het geval van Van Deyssel, wiens eigenlijke naam Karel Johan Lodewijk Alberdingk Thijm was, bleek ten naaste bij alles bewaard, een overstelpende hoeveelheid teksten en documenten, waarin zijn leven en gedachteleven van dag tot dag tot in onvoorstelbare finesses is vastgelegd.

Deze precisie en archiefzucht moeten bij Prick zijn aangeslagen, al legt hij er in het voorwoord van deel twee nu geestig de nadruk op dat veel is weggelaten, al te summier behandeld of onderbelicht, om ruimte te geven aan Van Deyssels geestesleven. Ook Prick is niet tevreden met alleen het jaartal, hij wil ook minstens de maand en nog liever de dag en het uur en de minuut waarop iets plaatsvond vermelden. Als het leven zo in detail naar voren gebracht wordt, vindt iets merkwaardigs plaats: het gaat leven, het is alsof je erbij tegenwoordig mag zijn. De tweeduizend bladzijden, hoe onvolmaakt ze wellicht ook in de ogen van de biograaf mogen zijn ten opzichte van het oceanische bronnenmateriaal, gaan fungeren als de beste, kleinst mogelijke samenvatting van een schier onoverzienbaar leven.

De stijl van deze biografie verdient een aparte vermelding. Natuurlijk monteert Prick de belangrijkste tekstfragmenten (uit brieven, dagboeken, notities, recensies, getuigenissen, etc.) in zijn in kleine, helder afgebakende onderdelen uitgesplitst levensverhaal, maar hij schrijft die aan elkaar op een bewonderenswaardige, niet van ironie verstoken manier. Alleen al om Pricks stijl is deze biografie een genoegen en daar komt dan nog zijn citatenkunst bij, die ervoor zorgt dat ook de andere scribenten (in de eerste plaats Thijm zelf natuurlijk) ons nooit vervelen. Een zinnetje van Prick als voorbeeld: ,,Dankzij tantes gulheid had hij kunnen toegeven aan de gedachte dat, vanuit Baarn, Antwerpen ook heel aantrekkelijk bereikbaar was via Parijs!''

Een dergelijke elegantie van formulering is eerder schering dan inslag, of andersom. Het kan simpel, maar mooi: ,,In het verre Hamburg begreep Arij Prins er helemaal niets meer van.'' Het kan ook ingewikkelder en fraai: ,,Daarbij bevond zich ook nog eens in Czerwinski's kielzog een meisje Meddens uit Hilversum, van wie het voor Karel en Cato onduidelijk bleef of zij met hem verloofd was, dan wel op het punt stond zich met hem te verloven, dan wel (afgaande op haar ontstemde gezichtsuitdrukking en vrijwel permanent stilzwijgen) vlak voor het betreden van Villetta [Van Deyssels huis] haar verloving met hem voorgoed verbroken had!''

In de meer dan zestig jaar die het tweede deel van de biografie beslaat, is Van Deyssel nog zo'n vijftien jaar min of meer actief als schrijver en redacteur van tijdschriften. Zijn typerendste werk had hij er al op zitten, al moest hij zijn 'Het leven van Frank Rozelaar' en 'De Adriaantjes' na 1890 nog schrijven, en ook, veel later, zijn 'Gedenkschriften'. Het eerstgenoemde boek heb ik, naar aanleiding van de biografie en na jaren, nog eens herlezen: het is een adembenemende ervaring, een dagboek, poëzie, bespiegeling, Gorter. ,,Ik dook op en zag toen de kamer als een mooi schilderij. Alles was goed: zacht en klaar. Zij zat daar stil en schoon levend. Er was zon over haar gelaat. Ook keek ik eens en vond ook zonneplekken op de muur. Ik was zoo verwonderd.''

Herman Gorter, misschien wel de meest toegewijde vriend van Van Deyssel, heeft hem vele jaren financieel gesteund, met hulp ook van anonieme weldoeners. Het is opvallend hoezeer in dit leven geldelijke zaken een bron van weerkerende zorg zijn en hoe vanzelfsprekend Van Deyssel het blijkbaar vond dat hij door deze en gene onderhouden werd. Gorter, die al voor zijn prachtige huis had gezorgd in Baarn, de opbouw ervan geheel voor zijn rekening had genomen en elk jaar de belasting betaalde, kreeg geregeld het verzoek om meer geld of om geld dat hij, Van Deyssel, al gekregen had. Nooit ergerde deze vriend zich aan wat dan ook: voor zijn zestigste verjaardag schreef hij Van Deyssel ,,Ik dank je voor jouw geheele bestaan.'' En bij Gorters dood meende zijn vriend: ,,Hij was het zuiverste, dat ik gekend heb.''

De geschiedenis na Tachtig is een ontwikkelingsgang en zowel een opgang als een afgang. De mannen van Tachtig gaan uiteen, vriendschappen vinden hun einde (met Albert Verwey, met Frederik van Eeden). In 1930 ziet Van Deyssel -bij begrafenissen natuurlijk- na bijna dertig jaar Verwey en Van Eeden weer. Hij is dan woonachtig in Haarlem, vervult allerlei functies in het literaire leven, wordt herhaaldelijk gehuldigd en krijgt, met Willem Kloos, een eredoctoraat van de Universiteit van Amsterdam. Zijn excentrieke, altijd op schrift gestelde leefregels of voornemens heeft hij zijn leven lang behouden. In de vroege tijd betroffen ze zijn schrijfzittingstijden of zijn noteringen van onanie-loze dagen, maar het konden later ook andere afspraken zijn met zichzelf, over hoe hij gekleed wilde gaan of welke haardracht hij verkoos.

Van Deyssel is inderdaad, de titel wijst daar terecht op, een vreemdeling gebleven in het leven, een God-zoeker die zich bij de anderen, in het sociale verkeer, in het geheel niet op zijn plaats voelde, een neurasthenicus, een melancholicus die briljant en ironisch kon converseren, maar dikwijls ten einde raad was, zich poogde te beheersen door zich in een harnas te hullen, zich voor te schrijven hoe te leven, maar daar zoveel tijd aan besteedde dat het leven, en schrijven, zelf er bij inschoot. De 'stipte dagorde-volbrenging' lukte hem soms, maar meestal niet.

Toch is hij, door de manier waarop Prick hem nu al vijftig jaar laat voortleven, een uiterst markante persoonlijkheid, die zonder deze postume aandacht zeker niet als zo belangrijk en intrigerend literairhistorisch te boek zou staan als nu het geval is. Lodewijk van Deyssel is dood, maar door Harry Prick leeft hij weer, nog steeds.

mailIcon print |