recensie Welke klassiekers moeten in de 21ste eeuw nog gelezen worden? Deze week wordt de houdbaarheid getest van negentiende-eeuwse Russische romans.
Russen citeren er uit hun hoofd hele strofen uit. Maar ten onzent kennen maar weinigen Poesjkins 'Jevgeni Onegin'. Ja, de opera van Tsjaikovski. Maar de roman in verzen?
Dat Poesjkin groot is, weten we hier wel. We hebben profeten genoeg die zijn genialiteit bezingen. Recent nog verschenen jubelboeken over de dichter met titels als 'Russische zon' (Hans Boland) en 'De buurman van God' (Arie van der Ent). Minder misverstand over de verering van het onderwerp kan een titel nauwelijks laten bestaan.
Wie 'de Onegin' ter hand neemt (we spreken van 'de Onegin' zoals we ook van 'de Ilias' spreken), ontmoet een woordverliefde kletskous die de lezer al rijmelend over van alles onderhoudt en zich slechts zo nu en dan herinnert dat hij ook nog een verhaal aan het vertellen is. Dat ratelt maar door, over mode, over damesvoetjes, over seksverslaving, over het plattelandsleven, over poëziealbums, over vriendschappen, over wijnen. En over boeken, vooral over boeken. Poesjkin mag zijn hoofdpersonen graag karakteriseren aan de hand van wat ze lezen.
Dan roept de dichter zichzelf tot de orde, 'want mijn roman moet toch verder'. Voor even pakt hij de draad van zijn magere verhaal weer op. Dat verhaal gaat aldus: Op het platteland ontmoeten twee vrienden twee zusjes. Olga valt op Lenski - de liefde is wederzijds. Tatjana valt op Onegin - die liefde is niet wederzijds. Onegin wijst Tatjana af en flirt met Olga. Lenski is beledigd en daagt Onegin uit voor een duel. Lenski sneeft. Met spijt beladen zoekt Onegin vergetelheid in reizen. Na jaren keert hij terug in Sint-Petersburg. Daar stuit hij op de inmiddels getrouwde Tatjana. Hij wordt diep verliefd, maar zij wijst hem af. Middelvinger, doek.
Het is bepaald geen verhaal dat in de ziel snijdt. Pas met de muziek van Tsjaikovski beroert het ons gemoed. Vooral wanneer je daarbij het Mona Lisa-toetje van Ariadna Sjengelaja ziet, die in de sovjet-verfilming van de opera Tatjana speelt (alleen spéélt, het zingen doet de onvolprezen Galina Visjnevskaja).
Wat zou dan voor ons de charme van 'de Onegin' kunnen zijn? De allergrootste charme is zonder meer de taal, maar daar dringen we als niet-Russen nauwelijks in door. We moeten het met vertalingen doen. Nu beschikt Nederland over een vertaling die er goed mee door kan. Ze is van W.Jonker en laat genoeg van Poesjkins taallenigheid zien om zijn genialiteit te vermoeden. Een nieuwe vertaling komt eraan, door de Poesjkin-gekke Hans Boland, maar dat zal nog wel even duren, want 'de Onegin' heeft hij als laatste van de negen delen Verzamelde Werken gepland.
Voor veel Russen is een van de grootste charmes van 'de Onegin' het meisje Tatjana. Hoewel Poesjkin ons verzekert dat ze beslist 'geen schoonheid' is, geldt ze in de Russische literatuur als een vrouw van ongeëvenaarde volmaaktheid. Elke belezen Rus is ooit wel eens verliefd op haar geweest. Maar ik heb in haar nooit meer dan een bordkartonnen adolescentje gezien, een pruilkind, emotioneel zwakbegaafd. Alleen haar laatste daad kon mij behagen, haar afwijzing van de pathetische Onegin. Al was het jammer dat ze dat louter uit huwelijkstrouw deed.
Bij Poesjkin vinden we geen goed- of afkeuring van die daad. Hij laat Onegin versteld en verstomd achter en neemt vrolijk afscheid van de lezer. Ik vind dat juist daarin, in die olijke luchtigheid, de grote aantrekkingskracht van 'de Onegin' schuilt. De echte charme van het meesterstuk zit hem in de losbollerigheid, de van-god-lossigheid en het morele hupsakee. Vergeleken met andere negentiende-eeuwse Russen is Poesjkin de kampioen van de lichtvoetigheid, en die betreft zowel zijn taal als zijn moraal.
'De Onegin' is qua moraal volkomen wereldlijk. In het hele boek is geen God te bekennen. En mensen zonder God doen nu eenmaal dwaze dingen, riepen een halve eeuw na Poesjkin Dostojevski en Tolstoi om het hardst. Als ze tijdgenoten van Poesjkin waren geweest - Rusland zou uit zijn voegen zijn gebarst.
Goddeloosheid leidt bijvoorbeeld tot dingen als duels. Een door en door heidens ritueel, met merkwaardige regels en een merkwaardige moraal. Sterven voor je eer, voor niets anders dan je eigen eer, het is een klap in het gezicht van God. En dan de gang van zaken, koel en berekend. Om de beurt schieten, zoals in Lermontovs 'Held van onze tijd'. Of op elkaar aflopen en zien wie het eerste schiet, zoals in Poesjkins 'Onegin'. Schiet de eerste in de lucht (ten teken van spijt), in het been (met het risico dat de ander liggend raak schiet) of gewoon mis (met fatale gevolgen)? In luttele seconden moeten zesendertig dilemma's worden opgelost. Het duel is de bakermat van de calculerende burger. Wellicht de opvallendste prestatie van Poesjkin en Lermontov is dat ze, op de nek gezeten door een diep-gelovige natie, hun poëzie wijdden aan zulke volstrekt goddeloze praktijken.
Of moeten we het feit dat zowel Poesjkin als Lermontov het leven liet in een duel, zien als een godsbewijs?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.