*

 

Een verlegen Egyptische tiener

Oskar Verkaaik − 18/01/03, 00:00

recensie In het midden van Egypte, aan de universiteit van het provinciestadje Assioet, ontstond aan het eind jaren van de jaren zeventig onder studenten een islamitische protestbeweging die zou uitgroeien tot een van de bekendste en meest vervolgde djihad-groeperingen in het Midden Oosten.

De beweging noemde zich simpelweg de Islamitische Partij, de Jama'a al-Islamiyya. Zij kwam in de jaren tachtig voor het eerst in het nieuws door betogingen tegen het Egyptische regime en door gewelddaden tegen de christelijke minderheid in Assioet.

Het regime probeerde de beweging met geweld de kop in te drukken, met als gevolg dat de leider van de Jamaa, de blinde Omar Abdel Rahman, naar de Verenigde Staten vluchtte. Daar legde de sjeik contacten met andere radicale groeperingen en plande de eerste aanslag op het World Trade Center, in 1993. In Egypte zelf bleef de beweging aan keiharde repressie onderhevig. Het merendeel van de leden koos, meestal na een periode van gevangenschap en martelingen, eieren voor zijn geld, zocht een baan en stichtte een gezin. Van het restant kwamen er velen om in de door de beweging zelf uitgeroepen oorlog tegen de staat. Enkelen zetten de strijd in het buitenland voort, en sloten zich aan bij internationale terreurbewegingen zoals Al-Kaida.

Er wordt de laatste tijd veel geschreven over de terreur van islamitische protestgroepen, maar opvallend weinig daarvan geeft inzicht in wat er zich binnen die groeperingen afspeelt of waarom jonge mannen zich bij dergelijke groepen aansluiten. Gelukkig beginnen er nu mondjesmaat documenten te verschijnen van ex-extremisten. Dat zijn vaak nog relatief jonge auteurs die na enkele jaren van hemelbestormend radicalisme op de aarde terugvallen, zich tot een minder groots en meeslepend leven bekeren, en een boek schrijven om met hun vroegere militante ik in het reine te komen.

Zo'n boek is 'De aarde is mooier dan het paradijs' van de Egyptenaar Khaled al-Berry. Jarenlang was deze student medicijnen in Assioet lid van de Jama'a al-Islamiyya. Zoals hij zelf al in het voorwoord meldt, was hij meer een ideoloog dan een strijder. Hij predikte meer dan dat hij mensen fysiek de les leerde. Maar ook hij kwam ten slotte in de gevangenis terecht. Zijn in het Arabisch geschreven verslag over die jaren werd in het Frans vertaald, en van daaruit vervolgens in het Nederlands.

Al-Berry beschrijft zichzelf als een ziekelijk verlegen man, een 'onbeduidend persoontje'. Hij kan zich aanvankelijk niet voorstellen dat zijn verhaal de moeite van het vertellen waard is. Misschien is dat de reden waarom hij de neiging heeft zichzelf weg te cijferen. Wie een psychologisch diepgaande worsteling van een bekeerde fundamentalist verwacht, komt met dit korte werkje bedrogen uit. Slechts in het hoofdstuk getiteld 'Seks' komen wat ontboezemingen van persoonlijke aard voor, die horen bij de tiener die Al-Berry in zijn jaren bij de Jama'a was.

Buiten dat krijg je de indruk dat de grootste aantrekkingskracht van de beweging op de jongen was dat ze de jonge Al-Berry wist te verlossen van zijn aloverheersend gevoel van nietigheid; zijn weliswaar gelovige, maar seculiere ouders kunnen hem daar niet bij helpen.

Maar de redenen van zijn bekering blijven verder nogal vaag, zoals het ook niet helemaal duidelijk wordt waarom hij na verloop van tijd weer genoeg van de beweging krijgt. Maar misschien is dat wel kenmerkend voor veel van dergelijke bewegingen: ze passen bij een bepaalde fase in het leven van menig jonge man, waar hij min of meer natuurlijk ook weer uitgroeit. Slechts een enkeling verzandt erin en komt er nooit meer uit.

Als persoonlijk relaas is dit werkje teleurstellend. Het komt nooit echt tot leven, wat ook blijkt uit het feit dat er een uitgebreid notenapparaat voor nodig is om de tekst inzichtelijk te maken. Maar dat neemt niet weg dat het een opmerkelijk perspectief van binnenuit op het leven in een fundamentalistische beweging biedt. Wat vooral opvalt, is het alom gedeelde idee tot een avant-garde te horen, een groep uitverkorenen die -zichzelf opofferend- de voorhoede vormen van een radicale omwenteling.

De vervolging waaraan de leden van de Jama'a bloot komen te staan versterkt deze illusie alleen nog maar. Het lijden wordt een bron van trots en een bewijs van uitverkorenheid, wat de leden van de beweging weer inspireert tot nog meer roekeloze en gewelddadige acties. Zo ontstaat er een spiraal van geweld waarin de terreur van de Jama'a en de repressie van de staat elkaar versterken en legitimeren.

Er zijn meer redenen waarom dit boek de moeite van het lezen waard is: de panische angst voor homoseksualiteit bijvoorbeeld, of het gehannes met koranteksten om recht te praten wat krom is. Maar het blijft jammer dat Al-Berry zichzelf niet tot een man van vlees en bloed weet te maken, waar je, ondanks zijn extremisme, toch enige verontrustende sympathie voor zou kunnen opbrengen.

mailIcon print |