recensie Dick Schouten (1953) schrijft nu al twintig jaar een beslist ernstig te nemen proza in de traditie van het tijdschrift De Revisor. Dit wil zeggen dat hij het ambacht van de schrijver en zijn vermogen om door middel van de verbeelding waarheden uit te drukken hoog aanslaat. Goed schrijven is bij hem een kwestie van vormgeving, van structurering van de wereld, van orde zien in de brij. Heel respectabele motieven, die bij allerlei schrijvers vakwerk, en liefst meer dan dat, hebben opgeleverd: een heel eigen toon en een vertelwijze die past bij hun wereldbeeld. Denk aan Willem Frederik Hermans, Doeschka Meijsing, Oek de Jong, Frans Kellendonk.
De kolossale roman 'De pleitbezorger', waar Schouten samen met het over drie jaar te verwachten 'Rabelais verschijnt' nu tien jaar aan gewerkt heeft, bezit alle elementen die er zijn magnum opus van kunnen maken. De beginsituatie alleen al is voor een lezer aantrekkelijk en zit boordevol vragen, waarop met een tergende, maar aanvankelijk juist met graagte genoten traagheid een paar suggesties van antwoorden op volgen.
Een echtpaar is, uit Nederland gevlucht, neergestreken op het hun zeer bekende Griekse eiland Paros. De man is in staat van beschuldiging gesteld wegens ongewenste intimiteiten en neemt zich voor zijn verdediging zelf ter hand te nemen en zijn rede tijdens zijn verblijf op Paros te schrijven.
Maar zo eenvoudig is alles natuurlijk niet, in het leven niet, maar ook niet in een roman en al helemaal niet in eentje van Schouten. De verwikkelingen zijn legio, ik noem er slechts een paar: zijn vrouw Nadine (voortdurend als 'mijn liefste' aangeduid) is in slechte staat en hij smeekt zelfs van de gebeurtenissen tekenen af die erop wijzen dat hun huwelijk geen aflopende zaak is. Hij wil kortom niet alleen zijn zelfverdediging ter hand nemen, maar ook nog eens zijn huwelijk redden. Bovendien heeft de man een kennelijk ingebakken neiging om mensen die hij niet mag, zoals de 'poolster van Paros', de eilandkoning Pedro, te 'tarten' zoals hij het noemt.
Doorheen de eilandgeschiedenis speelt, listig geweven en ook bijzonder vertragend uitgewerkt, een curieuze enquête, nota bene met behulp van het lezen van poëzie, die de man in Nederland voor zijn vertrek heeft uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in een persoon die hem heeft belet als dichter uitgezonden te worden naar Cordoba. De maniakale behoefte om deze persoon te omsingelen is merkwaardig. Hij kent hem niet en probeert indirect, via allerlei figuren die hem wél kennen (zelfs zijn vrouw doet aan de enquête mee), in zijn bestaan binnen te dringen. Het zal wel een soort van beeldspraak zijn voor wat een schrijver doet als die zijn personages schept: hij moet zich een beeld vormen van wie hij in het centrum van zijn verbeeldingswereld nog alleen maar schimmig ziet.
Hoe het ook zij, deze Nederlandse geschiedenis, bij Schouten heet zoiets steevast een 'avontuur', wordt afgewisseld met het Paros-avontuur aangaande de eilandtiran Pedros en hoe de man hem van zijn troon probeert te stoten (waarom?). In het toch al rijkgeschakeerde patroon krijgen ook nog een aardbeving in Turkije een plaats, alsmede het schrijven aan een 'Essay', ja met hoofdletter, over twee visies op de dood, als ik het wel heb, en een 'Leerboek', waarover dat zou moeten gaan is mij in de veelheid van mededelingen ontschoten. Een belangrijke rol is verder weggelegd voor een tweede Nadine, een Nederlands meisje van zeventien, dat redenen heeft om op Paros te zijn en wel uitgerekend in vriendschap met de dochters van Pedro.
De twee Nadines kunnen het goed met elkaar vinden en de man ziet de jongste als inderdaad de jonge uitvoering van zijn eigen 'liefste'. Het kan dus moeilijk uitblijven dat hij zich, vrij onschuldig, vergrijpt aan het meisje: hij ligt geheel gekleed van achteren tegen haar aan en daar 'deelden zich, zonder noemenswaardige beweging zes, zeven, acht verschietingen mee' in zijn boxershort. Tsja. Hoe heeft dat nu zo ver kunnen komen en wat betekent het precies? Een verdubbeling van wat hem in Nederland wordt aangewreven en waarover we pas tegen het eind van deze meer van vijfhonderd bladzijden dikke roman nadere inlichtingen krijgen? De spiegeling, de verdubbeling, het contrast -ze horen bij het principe op grond waarvan deze avonturen verteld worden. Herhaling, resonans- eveneens. Zoveel is er herhaling dat na een paar honderd bladzijden diagonaal lezen tot de onvermijdelijkheden gaat behoren. Daarmee is het met het goede lezen natuurlijk afgelopen.
De belangrijkste compositiefout van dit ambitieuze, en in menig opzicht ook eigenzinnige en artistiek gesproken sympathieke boek, lijkt mij de bedenkelijke vondst om het vertellen in te kleden als brieven gericht aan de dichter Joseph Brodsky, iemand die de man van nabij heeft meegemaakt en met wie hij min of meer bevriend is geweest. Dat moge zo zijn, maar wat heeft Brodsky met deze ellenlange en met veel uitweidingen, details (dag en uur en minuut worden vaak gemeld) en beschrijvingen besproeide verhalen te maken? Volgens de tekst is Brodsky de aangesprokene omdat hij op deze manier door het vertellen aan hem in leven gehouden zou worden. Dat kan of mag zijn, maar voor de lezer is een dergelijke brief-vertelwijze aan een dode iets vreemds, en het is ook bepaald niet organisch gedaan, want zo her en der is nu de naam 'Joseph' rondgestrooid. Weet je nog Joseph dat we dit of dat, weet je nog wat ik je in mijn vorige brief vertelde dat Nadine toen ze... enzovoort. Het is een enorm leesonvriendelijke vertelwijze, die alle spanning, mede door het gigantisch vertragende karakter van dit boek, eruit wegsleept. Niemand wil meer weten hoe dit afloopt, wat er nu precies aan de hand is, welke finesses van finesses die allang niet meer onthouden zijn, finesses hebben aangebracht in wat ook weer precies? Dit is een roman die zichzelf ombrengt.
Maar ik moet mijn oordeel wijten aan mijn ongeduld, een ongeduld dat op zijn beurt weer te wijten is aan compositie en stijl van 'De pleitbezorger'. Op bladzij 475 staat: ,,ik had me begin augustus een paar keer bizar verkeken op de hoeveelheid tijd die het ontvouwen van het Bas Ligten-avontuur kostte...' en ja, dat is het wel. Hier heeft zich een schrijver nogal bizar verkeken op wat het betekent zozeer in details te traden inzake een volkomen onduidelijke affaire, opgedeeld in sub- en sub- en sub-affaires. Ook de stijl vertoont deze eigenaardigheid en zal in z'n consequente doorvoering misschien door een ander als juist heel geëigend worden aangemerkt. Dick Schouten had zijn uitdijend heelal naar mijn indruk beter een halt kunnen toeroepen, maar wie ben ik om gedreven schrijvers, en tot zulke behoort hij zonder twijfel, hun zo eigen wijze van schrijven te ontzeggen?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.