*

 

Zeven sidderende zevenjarigen

Arend Evenhuis − 24/01/03, 00:00

recensie Er is hoorbaar oorlog gaande, want straaljagers vliegen oorverdovend over. Maar dat is de oorlog van de volwassenen, van de vaders die weg zijn en misschien nooit meer terugkomen. Beneden in het vredige bos, waar vogels naar hartelust kwinkeleren en een uil dromerig oehoet, spelen zeven zevenjarigen hun kinderspel. Ook hier is het oorlog, al weet geen van de spelende kinderen waar de vijand woont.

De Britse dramaschrijver Dennis Potter schreef zijn gruwelsprookje 'Blue-Remembered Hills' (net als 'The Singing Detective' en 'Lipstick On Your Collar') voor televisieverfilming. De zeven acteurs die zijn zeven kinderpersonages spelen, moeten altijd volwassen zijn, stelde hij - geen toneelspelende kinderen op het toneel alstublieft. De toneelspelers van het Vlaamse gezelschap De Roovers zijn jong, maar volwassen, en spelen 'Blue-Remembered Hills' nu als toneelstuk.

In de BBC-verfilming speelden de Engelse acteurs in korte kinderbroeken en in een echt bos. De Roovers dragen geen korte broeken, maar non-descripte schoolkostuums in grijs met lichtblauwe overhemden. Een lege speelvloer met wat hangende, geschilferde houtplanken volstaat in de toneelversie als bos. Een cowboyhoed, klappertjespistool en met koordjes aan de jasmouw bungelende kinderwanten verwijzen summier naar de jeugdigheid van de personages. Dat is eerder grimmig dan koddig, want er bestaan immers ook volwassenen met cowboyhoeden die met pistolen wapperen.

Potter laat zijn 'Droef herinnerde heuvels' als een verdrijving uit het paradijs lezen, nog voordat je daar goed en wel in beland bent. Of als afscheid van de kindertijd, die bij nader inzien helemaal niet onbevangen was. De zeven kinderen apen volwassenen na en raken daarbij spelenderwijs verstrikt in venijn, afgunst, achterdocht tot doodslag aan toe. Vadertje en moedertje-spelen ontaardt al gauw in echtelijk getier ('En waar blijft goedverdoeme miljaar mijn thee!') en moordlustige chantage van een zevenjarige die alleen verpleegstertje wil spelen als zij 'de kleine schaar' erbij krijgt.

De zeven zevenjarigen sidderen om het minste of geringste. Net als volwassenen strijden ze om elkaars vriendschap, ze zijn bang voor elkaar, bang voor de groep en tegelijk doodsbang voor uitsluiting uit de groep. Een eekhoorntje wordt gezamenlijk doodgetrapt louter omdat die het waagde het pad van de zevenjarigen te kruisen. De meisjes willen een hut in een boom bouwen, de jongens daarentegen een fort van waaruit ze kunnen schieten. Maar ook de meisjes verloren hun onschuld, want ze deinzen er niet voor terug een rivale ('Ze heeft er toch zelf om gevraagd!') af te rossen teneinde elkaars 'beste vriendin' te worden.

Hun gram en verveling richten zich gezamenlijk op het ventje dat krenkend 'Donald Duck' wordt genoemd, dat steeds kwekkwekgeluidjes moet maken en met zijn armen moet klapperen als had hij eendenvleugels. Als dit Donaldje Duck door toedoen van de groep omkomt, sluiten de rijen zich in een oogwenk. ,,We waren allemaal samen, kilometers van hier. We hebben niks gezien, we gaan de schuld niet krijgen.''

De Roovers spelen hun zevenjarigen in lenige motoriek en in kwiek tempo, jagen elkaar de stuipen op het lijf met een onbestaande 'Italianerd met z'n grote mes', en suggereren knap een aanhoudende sfeer van verziekt wantrouwen. Van permanent op je hoede moeten wezen. De mooiste scène moet wel zijn, waarin de Roovers-troupe het spelletje Anne-Maria Koekoek speelt. De groep moet voorwaarts bewegen zonder dat degene-die-'m-is dat in de gaten heeft. Zo dra je toch iemand zag bewegen, is die 'af'. Aldus beweegt, schokt en stolt de groep zevenjarigen. Verstijfd in hun spel, tevens verstijfd van levensschrik.

mailIcon print |