recensie Het Belcea Quartet dat twee weken terug het Amsterdamse Concertgebouw aandeed, is het meest veelbelovende kwartet van de jongste generatie strijkers.
De Londenaars worden in hun geboorteplaats op handen gedragen. De kamermuziekzaal Wigmore Hall heeft ze vorig jaar tot musici-in-residence benoemd, wat inhoudt dat ze er zeven zelfgeprogrammeerde concerten per seizoen mogen geven. Bij platenlabel EMI tekenden ze een contract voor vijf jaar. De debuut-cd van het kwartet won vorig jaar een Gramophone Award. Hun tweede cd is gewijd aan Franz Schubert. En daarop is te horen dat het kwartet inderdaad bijzondere gaven heeft. Om te beginnen liggen die bij de primarius Corina Belcea. Wat een zeggingskracht, wat een klanknuances. Maar het gespreide (klank)bedje dat haar partners voor haar neerleggen, mag er ook zijn. De balans tussen de vier musici is perfect. De melancholieke muziek die Schubert componeerde voor het openingsdeel van het strijkkwartet in a klein D 804 ('Rosamunde' genaamd), wordt zeer welsprekend vertolkt. Vanaf de eerste noot hang je aan de lippen van het kwartet. En dat gaat door tot de laatste noot van het vederlicht gespeelde laatste deel. Vooral als vanuit het niets een mysterieus pianissimo opkomt, is het spel adembenemend. Op de cd staan verder de Quartettsatz in c klein D 703 en het strijkkwartet in Es D 87. Ook prachtig gedaan.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.