recensie In het voorjaar van 1944 vond ten huize van Sándor Márai in Boedapest een souper plaats. Het porseleinen Meisener servies werd uit de kast gehaald evenals het zilveren bestek en de Franse kandelaars. Márai leefde tenslotte op grootburgerlijke voet en verloochende zijn afkomst hoogst ongaarne. Maar het avondeten was nauwelijks ten einde of Márai werd aan de telefoon geroepen en geconfronteerd met een drastische mededeling: de Duitsers hadden Hongarije bezet. Bijna een kwarteeuw later, toen hij omstreeks 1970 in Amerika het nu vertaalde 'Land, land!...' schreef, realiseerde Márai zich dat op die bewuste avond in 1944 een tijdperk voorgoed was afgesloten, dat er sprake was van 'een volledige ondergang van een levensvorm'.
Márai vluchtte voor het oorlogsgeweld naar het platteland en trof na terugkomst in 1945 zijn woning in puin aan. Hij kreeg een noodwoning toegewezen en nam meteen zijn oude schrijvershandwerk weer op; hij had een reputatie op te houden, want al voor de oorlog stond hij te boek als een succesvolle schrijver en journalist. Maar nu doemde er in de persoon van de Russische bezetter een nieuwe hindernis op. Aanvankelijk probeerde Márai de Russen onbevooroordeeld tegemoet te treden en was hij zelfs nieuwsgierig naar de 'slavische ziel'. Hij wilde weten of hij met echte 'communisten' te doen had en vooral hoe ze hem, de 'bourgeois', zouden beoordelen.
Maar al spoedig taande zijn belangstelling voor de bezetters. Hun slordigheid en onbetrouwbaarheid en vooral hun opvattingen over mijn en dijn boezemden hem afschuw in. Gaandeweg kregen de communisten steeds meer greep op het naoorlogse Hongarije. De 'angst voor de bel' deed zijn intrede; naar willekeur werden burgers opgepakt en naar de Andrassystraat 60 overgebracht, waar zich een beruchte foltercentrale bevond. Vrienden en collega's van Márai vertrokken naar het buitenland of pleegden zelfmoord, anderen -mindere talenten uiteraard- probeerden juist bij de nieuwe machthebbers in het gevlij te komen. In 1948, toen zijn uitgevershuis werd genationaliseerd en hij een publicatieverbod kreeg, trok Márai zijn conclusies en verliet hij zijn vaderland -om er nooit meer terug te komen.
'Land, land!...' is als tijdsbeeld onovertroffen, een uitstekend geschreven en intelligent boek. Het is het derde werk van Márai in het Nederlands na 'Gloed' en 'De erfenis van Eszter', twee met vaart en passie geschreven korte romans die terecht internationaal zijn herontdekt, al zijn ze zeker niet vrij te pleiten van effectbejag en retoriek. Overigens hebben ook György Konrád en Imre Kertész over dezelfde periode 1944-1948 geschreven. Konrád deed dat -met soms opvallende overeenkomsten -in het onlangs vertaalde 'Geluk' en eerder al in 'Tuinfeest', en Kertész in zijn nog niet vertaalde maar wel in het Duits verschenen 'Galeerentagebuch' en in de novelle 'Die englische Flagge'. Kertész noemt zich een groot bewonderaar van Márai. Twee jaar geleden publiceerde hij een imponerend essay over hem waarin hij juist 'Land, land!...' tot zijn favoriete Márai-boek bestempelde. Waarschijnlijk heeft Kertész zich vooral herkend in het outsiderschap van Márai binnen de eigen natie, in zijn gevoel van innere Emigration.
'Land, land!...' kun je lezen als een definitief afscheid van een voorbije wereld. Nostalgische herinneringen aan Márai's jeugd -onder meer een briljant fragment over zijn grootmoeder- duiken vooral in het tweede deel op, als de nood echt aan de man komt. Maar je kunt het ook lezen als een lofzang op de literatuur en op het vrije woord, of beter nog: als een bewijs voor de troost die boeken kunnen bieden in tijden van tegenspoed en onderdrukking. Constant en op welhaast schopenhaueriaanse wijze is Márai zich ervan bewust dat 'uit de verschrikkelijke chaos van het leven geen andere uitweg mogelijk (is) dan een goed geformuleerde zin.' Op een andere plaats noemt deze geboren estheet de literatuur 'het enige onderwerp (...) dat ik (...) kan controleren'.
Geen wonder dat het in dit boek wemelt van de literaire verwijzingen en citaten. In het eerste deel zijn het vooral de Russen, van Gorki en Ehrenburg tot Boenin, Toergenjev en Tolstoi. Later komen tientallen Duitse en Franse denkers aan bod, en in het slotgedeelte participeren vooral zijn landgenoten, wat tot schitterende hymnen leidt op Dezsö Kosztolányi en Gyula Krúdy, schrijvers die Márai nog persoonlijk heeft gekend.
Márai kende naar eigen zeggen geen ander 'vaderland' dan de Hongaarse taal'. Daarom keerde hij in 1947 terug van een tournee door het vrije Westen, hij wilde in Boedapest 'leven en wachten tot ik weer vrij kon schrijven'. Pas als je deze fragmenten hebt gelezen besef je ten volle de eenzaamheid en verbittering die zich gedurende zijn veertig jaar durende ballingschap van hem meester hebben gemaakt - al heeft hij gelukkig voor ons ook in Amerika het vertrouwen in de literatuur nooit opgezegd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.