*

 

Van de straat én van de boeken

Leonie Breebaart − 01/11/03, 00:00

recensie Een mediagenieke verschijning, daverende verkoopcijfers: het zijn voor een Nederlandse schrijver mixed blessings. Bij critici maak je je er in elk geval niet populair mee. Als je dan ook nog, zoals Joost Zwagerman, een grote belangstelling aan de dag legt voor 'tijdsverschijnseltjes', zoals Volkskrant-recensent Arjan Peters het noemt, dan moet je wel een heel oppervlakkig en a-literair wezen zijn. Daar komt nog bij Zwagerman zijn naam ooit heeft verbonden aan het postmodernisme - een stroming die tegenwoordig weggehoond wordt als 'oppervlakkig', hoewel niemand meer lijkt te weten waar het die postmodernisten eigenlijk om ging.

Toegegeven, als we terugkijken op Zwagermans carrière - een goed moment, want hij wordt deze maand veertig - hield de kwaliteit niet altijd gelijke tred met de kwantiteit van zijn productie. De door hem opgerichte poëziestroming 'de Maximalen', die de straat naar de letteren moest brengen, ging al snel terziele. En Zwagermans romans, hoe leesbaar en herkenbaar ook, bleven vaak steken in de nogal voorspelbare boodschap dat de moderne tijd veel voosheid heeft gebracht.

Misschien is Zwagerman toch eerder een essayist - al zal dat genre hem minder lezers opleveren. Zijn postmoderne citeerlust valt hier precies op zijn plaats, de mix van banaal en literair taalgebruik houdt alle geleerderigheid op afstand. En zijn credo dat 'hoge' en 'lage' cultuur vermengd moeten worden, wordt hier met verve verdedigd en van stevige peilers voorzien.

Zwagermans nieuwste uitgave, de essaybundel 'Het vijfde seizoen', staat vol informatieve opstellen over, om maar wat te noemen, Flaubert, de Amerikaanse kunstscene van 1910 tot 1960, het korte verhaal en de redenen dat we zelfmoordenaars niet aan pillen moeten helpen. Zulke diverse figuren als glamourfotograaf Mario Testino, John Updike, pornoster Linda Lovelace en George Orwell vragen onze aandacht.

Zwagerman interesseert zich oprecht voor al deze onderwerpen en personen, maar vindt bij hen ook de bevestiging van zijn eigen voorkeuren. Flaubert 'leefde op zodra er trivia ter sprake kwamen'; Orwell vond geen onderwerp te laag-bij-de-gronds en was als essayist 'nooit snobistisch en altijd alert', de Engelse schrijver en recensent Martin Amis is 'streetwise én belezen; straatjoch én boekenwurm'. De grondslag van de Zwagerman-methode blijkt al geformuleerd door anderen: ,,Orwell meende oprecht dat een analyse van lowbrow vermaak een verhelderend inzicht bood in de fascinaties en obsessies van de gemiddelde consument.''

Vreemd genoeg windt Zwagerman zich nogal op over Martin Amis, hoewel hij hem duidelijk beschouwt als de kroonprins van deze high brow on low culture. Amis' boek met literaire recensies, 'The War on Cliché', zou teleurstellend eindigen -'onamisiaans','braaf'- want het bevat een pleidooi voor het lezen van 'onontkoombare' auteurs als Nabokov en Saul Bellow.

Dat is nodig, vindt Amis, omdat de balans tussen hoog en laag zoek is geraakt. Acteurs, ex-kappers, ex-ministers, ex-exen: iedereen schrijft tegenwoordig een boek. Mij lijkt dat helemaal geen gekke redenering, maar Zwagerman vindt dat het Britse enfant terrible hier verraad pleegt. Een vreemde uitval, vooral omdat Zwagerman zelf toch ook niet wild om zich heen slaat en zijn respect betuigt aan gecanoniseerde auteurs als Flaubert, Orwell, en John Updike.

In alle andere gevallen reageert Zwagerman eerder bezonnen, al wordt het nergens saai. Mooi is bijvoorbeeld het essay 'Ingeburgerd anarchisme', waarin hij laat zien dat de bohémien in de twintigste eeuw zo ingeburgerd is geraakt dat kunstenaars sindsdien zoeken naar een andere manier om zich te onderscheiden. Dat begon al met Andy Warhol, die met zijn fabrieksmatig gefabriceerde kunst niet zozeer de bourgeoisie als wel de bohémiens schokte: hun aura van authentieke artisticiteit liep een behoorlijke deuk op.

Begin deze eeuw is de ommekeer bijna voltooid: de culturele elite hijst zich weer in het pak en speelt de conservatief om zich te onderscheiden van de patjepeeërs, zoals de self-made man Heinsbroek, die zich met zijn stoppelbaard juist weer een air van bohémien aanmeet. Onder schrijvers constateert Zwagerman een soortgelijke verschuiving. Nu iedereen wel eens 'depressief' is en half Nederland prozac slikt, identificeren schrijvers zich liever niet meer met het type van de poête maudit, de gekwelde kunstenaar, maar zoeken ze de andere kant van de pool op en presenteren zich als 'topfitte literaire reus'. Kijk, dat zijn postmoderne observaties van het aardigste soort.

mailIcon print |