recensie Ze hebben één ding gemeen: ze schreven allebei een boek over de verhouding tussen mens en natuur. Ze deden dat allebei uit bezorgdheid. Maar daar houdt de overeenstemming tussen Irene van Lippe-Biesterfeld en Lucas Reijnders wel op.
Heeft Lucas Reijnders wel eens een wandeling in de natuur gemaakt? En Irene van Lippe-Biesterfeld, heeft die ooit moeizaam een wetenschappelijk artikel over, pakweg, biotechnologie doorgeploegd? Als je hun boeken over de natuur en de rol van de mens daarin leest, heb je de neiging om beide vragen ontkennend te beantwoorden. Reijnders en Van Lippe-Biesterfeld, beter bekend als prinses Irene, leven in hun eigen wereld en lijken weinig oog te hebben voor wat daarbuiten gaande is. Maar samen geven ze een aardig beeld van ons denken over de natuur.
De prinses sprak samen met journaliste Jessica van Tijn met twaalf mensen. Al haar gesprekspartners zijn het in grote lijnen eens met haar en met elkaar: de natuur en de mens vormen één geheel en als je dat, zoals we tegenwoordig doen, uit elkaar trekt dan krijg je de grootst mogelijke ellende.
Over de oplossingen zijn ze het ook al eens: We moeten anders over de natuur gaan denken. Meer gevoel, meer spiritualiteit en meer respect, minder uitbuiting en minder misbruik van het vele goede dat de aarde te ons bieden heeft. Een lofwaardig streven, maar over hoe dat te vertalen naar de harde dagelijkse praktijk blijft het boek vaag.
De aanpak van Reijnders is compleet anders. Hij werkte zich door een boekenkast vol standaardwerken. Daar haalde hij een berg harde, controleerbare feiten uit. Maar wat al die informatie te betekenen heeft, blijft onduidelijk.
Eigenlijk maakt Reijnders vooral duidelijk wat natuur níet is, en hoe de mens in ieder geval níet om moet gaan met de aarde en alles wat daarop leeft. Een eigen visie, een toekomstperspectief, ontbreekt. Reijnders laat zijn lezers eenzaam en ontmoedigd achter in een brij van feiten.
,,Je weet dat die bloem leeft'', zegt Van Lippe-Biesterfeld, ,,maar wéét je ook dat die bloem leeft?'' Voor dat type vragen is Reijnders allergisch. Waar de prinses voortdurend zeer aanwezig is, blijft de figuur van Reijnders schimmig. Slechts een enkele keer is op hij een eigen visie te betrappen en slechts een enkele keer vertelt hij iets over zichzelf. Dan krijgt zijn droge relaas opeens kleur: ,,In het begin van de zestiende eeuw karakteriseerde Erasmus van Rotterdam het aanroepen van heiligen tot dwaasheid, maar evenzogoed ging ik als jongen de zegen van de heilige Blasius halen (tegen keelaandoeningen) en had ik een scapulier van Sint Christoforus om mij te beschermen tegen aanstormende auto's.''
Dat was allemaal onzin, wil Reijnders zeggen, en in die mening staat hij erg ver af van de ideeën van Van Lippe-Biesterfeld. Wie de boeken naast elkaar legt, ziet het gevoel van de prinses tegenover het verstand van de hoogleraar, een overmaat aan 'visie' versus een gebrek aan visie, betrokkenheid tegenover afstandelijkheid, oververhit tegenover ijskoud.
Reijnders brengt de spiritualiteit van de prinses terug tot een karikatuur. ,,Dezer dagen, ,,schrijft hij, ,,kan een telg van het Oranjehuis - Irene van Lippe-Biesterfeld - steun zoeken bij bomen en van gedachten wisselen met dolfijnen, bomen en de zon, zonder te worden afgevoerd naar het dolhuis.'' Het denken van de prinses is volgens Reijnders een wel erg radicale vorm van back-to-basics: de Indogermanen hielden er ooit spirituele relaties met bomen op na, dús Van Lippe-Biesterfeld heeft van de wetenschappelijke kennis die sindsdien is vergaard, niets opgestoken.
Reijnders komt niet voor in het boek van de prinses. De mensen die zij interviewt zijn onder andere de natuurarts en analist van magnetische resonantie in water Emoto Masaru, de grondlegger van de diepte-ecologie, Arne Naess, Feng Shui-specialiste Denise Linn en de Guatemalteekse Nobelprijswinnares Rigoberta Menchú. Andere geïnterviewden zijn wetenschappelijke buitenbeentjes als Rupert Sheldrake en de bioloog Hans Andeweg van het centrum voor ECOtherapie.
De broodnuchtere en in het geheel niet spirituele Reijnders past niet in dat rijtje. Waar Van Lippe-Biesterveld hoog opgeeft van de diepgaande gesprekken waarvoor zij duizenden kilometers in vliegtuigen aflegde, wijst Reijnders op de energieverspilling van de luchtvaart. Ecologisch toeristen richten zo meer schade aan dan een stadion vol voetbalhooligans, schrijft hij, en hoewel de prinses geen ecotoerist is kan zij die koele constatering in haar zak steken.
Toch staan Reijnders en Van Lippe-Biesterveld niet lijnrecht tegenover elkaar. Ze vinden allebei dat de arrogantie van de mens in de omgang met de aarde ons nog eens zuur zal opbreken. We zijn tenslotte geen eigenaar van de natuur, eerder een kwetsbaar onderdeel van het grote geheel. Ook over de teloorgang van de natuurlijke omgeving, bijvoorbeeld over de teruggang van de soortenrijkdom, maken alle twee zich grote zorgen.
Dat zijn bepaald geen nieuwe ideeën, maar het is goed dat ze het in een toegankelijk vorm nog eens op een rijtje zetten. Alleen, een lezer die zich tot één van beide boeken beperkt, krijgt niet meer dan de helft van de waarheid voorgschoteld. Lees je het boek van Reijnders, dan mis je het idee dat de natuur veel meer is dan een koel wetenschappelijk te analyseren verschijnsel.
Maar wie aan de hand van de prinses door bos en hei wandelt ziet weinig van de ingewikkelde samenhangen, die de natuur van het niveau van het kleinste molecuul tot de ingewikkelde gedragspatronen van zoogdieren zo interessant maakt. Bij de prinses mis je bovendien de vaststelling dat de natuur soms keihard kan zijn. Zonder een tussenpersoon, iemand die zich thuis voelt in beide werelden, zullen ze elkaar waarschijnlijk niet begrijpen.
Misschien kan de Wageningse hoogleraar Matthijs Schouten zo'n tussenpersoon zijn. De prinses interviewt hem onder het motto ,,Wie ruimte wil geven aan de volheid van het leven, zal zijn of haar hebzucht, haat en egoïsme moeten overwinnen.'' Daar kan Reijnders weinig bezwaar tegen hebben. Diezelfde Schouten komt ook voor in de lange bibliografie in het boek van Reijnders en als hoogleraar natuurherstel en medewerker van Staatsbosbeheer staat hij stevig genoeg in de dagelijkse praktijk van het Nederlandse natuurbeleid om ook door Reijnders serieus genomen te worden.
Volgens Schouten is het rationele denken dat in zijn rol als wetenschapper vereist is, niet in tegenspraak met zijn op het boeddhisme geënte visie op de natuur: ,,Hoewel ik in het Westen ben opgeleid, beschouw ik de wetenschap niet als de uiteindelijke waarheid.'' De ultieme werkelijkheid, de waarheid, stijgt volgens Schouten uit boven de ratio. Dat kan zweverig klinken, maar tegelijkertijd staat hij met beide benen in het drab van het Ierse hoogveen, waar hij gedegen wetenschappelijk onderzoek deed naar het plantenleven en de factoren die bepalen waar een plant zich thuis voelt.
,,Uiteindelijk kon ik mij in de uitgestrektheid van het veenlandschap volledig vergeten'', vertelt Schouten aan de prinses. ,,Natuur bestond eenvoudigweg. Na enige tijd was ik er gewoon. En we konden samen 'zijn'.'' Mocht het ooit tot een gesprek tussen Reijnders en Van Lippe-Biesterfeld komen, laten zij elkaar dan ontmoeten in zo'n hoogveengebied of anders ergens op een bankje in een bos of wandelend over een heideveld. Voor de lezer is dat ook het beste advies. Trek erop uit, ga een stuk fietsen of wandelen. Zo kom je echt wat te weten over de moeizame relatie tussen mens en natuur. Daarna kun je de boeken van Reijnders en Van Lippe-Biesterfeld erbij pakken en een goed beeld krijgen van het denken in heden een verleden over dat onderwerp. Maar lees wel beide boeken. Wie zich beperkt tot één van beide mist de helft en krijgt een eenzijdig beeld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.