*

 

De morgemerel is moeilijk te verdragen

Peter de Boer − 25/01/03, 00:00

recensie Paul Marijnis is een mooiprater in de goede zin des woords. Hij bedrijft een soort literaire fijnschilderkunst die niet alleen frappeert door de ambachtelijke nauwkeurigheid van de afbeeldingen, maar evenzeer door de uiterst originele, soms gekke wijze van zien die eraan ten grondslag ligt. Dat was al zo in zijn debuutbundel 'Gillette', waaruit ik onder vrienden graag zijn voorstelling van de buldog ('een bom met korte lont') en nog veel meer mag citeren. En dat is opnieuw zo in zijn tweede bundel 'Roze zoenen'.

Ik doe een willekeurige greep uit de laatste. De wesp bijvoorbeeld definieert hij als 'zwartgeel geringde stuka' en 'hightech sportmodel, uit heksenzaad verwekt'. Vooral dat laatste beeld is sterk vanwege de vermenging van eenentwintigste-eeuwse techniek met middeleeuws volksgeloof. Nog een paar voorbeelden uit dit genre, want je kunt bij zoveel virtuoze beeldspraak wel aan het citeren blijven. De olifant wordt kortweg neergezet als 'te wijd geworden oudeherenpak', de struisvogel als 'plumeau op stelten met karbonkelogen', de spreeuw als 'Patser in geborduurd fluwelen vest' en - vooruit nog eentje en dan wat langer - de giraffe als 'Steltloper, visnetkousen - de giraffe. /[...]/ Wimpers, langer dan die van Madonna. / Op zijn kop een kapstokje in crème velours'.

Mooi gezien, bedacht en verwoord, deze o zo rake typeringen van diverse dieren. De plastische overdaad heeft wellicht iets gekunstelds, maar juist dat zo knap aangebrachte artificiële element opent je de ogen voor dingen die je zó nog niet eerder zag. Bovendien fungeren deze frappante, ogenschijnlijk ook wat statische beelden steeds in een groter geheel waaraan ze de nodige dynamiek ontlenen. Zo begint 'Kraaien' met de regels: 'Stuntvliegers stuk voor stuk, doen zwarte kraaien / torentransen zwenken, dansen, draaien'. Door de schijnbare omkering -immers, niet de kraaien lijken te zwenken, dansen, enzovoort, maar die onverzettelijke torentransen!- valt deze literaire prent heel anders uit dan je zou verwachten. Je wordt er als lezer zelf ook een beetje draaierig van. Het is net of je op de rug van de kraaien hun loopings mag meebeleven en dan wil de wereld beneden je op het aan stuntvliegen niet gewende oog wel een dansante indruk maken.

'Roze zoenen' bevat 55 voor het merendeel kortere en flink eindrijmende gedichten. Ruim de helft ervan zijn diergedichten, de rest heeft een meer algemeen karakter. Die diergedichten doen enigszins aan Patty Scholten denken, die ook heel plastisch en geestig dieren portretteert. Marijnis' gedichten daarentegen zijn, hun plastiek incluis, vaak vinniger en somberder dan die van Scholten. Hij bedient zich inderdaad en met verve van de light verse-techniek, maar doet er toch iets anders mee dan de rasdichters van dit genre.

Bij Marijnis dient de lichte toets als contrastfiguur voor de onlustgevoelens die hij ook kwijt wil, zij het zeer gedoseerd en zelden overdreven op de voorgrond tredend. Luchtigjes, en toch evident weemoedig, gebeurt dat in de slotregels van 'Merel': 'Met zijn boerenfluitje spit hij in mijn hart. / Vooral de morgenmerel is heel moeilijk te verdragen'. Maar in 'Kanarie', waarin de dichter zich met het zangvogeltje vereenzelvigt, klinkt de somberte al veel duidelijker door. Beiden zijn 'gevangen zangers', hun lied wordt almaar 'schriller', zijzelf almaar 'banger' als zij 'wanhopig door de tralies gluren'. Hier klinkt toch, in light verse-vermomming, een existentiële benauwdheid door die er niet om liegt.

Iets dergelijks geldt voor Marijnis' incidentele verwijzingen naar de kosmos. Als zijn kat met een dode kikker aan komt zetten en het lijkje trots aan zijn voeten legt, heet het: 'De Melkweg stokt niet en dat zou toch moeten'. En van een oude eik wordt gezegd: 'Bang om te vallen in de blauwe kom / van het heelal, houdt hij zich stoer en stom'. Dit riekt nog naar het understatement, maar in 'Grazende geit', waarin opnieuw een vereenzelviging van de dichter met zijn onderwerp aannemelijk lijkt, klinkt de onlust al heel wat grimmiger:

'Als kind werd ik geroepen om

een weergaloos geluk te vinden.

Alles wat recht was, boog ik soepel krom:

tweeogig in het land der blinden.

Anderen ontnamen mij mijn geloof:

volwassenen, blind, stom en doof,

verdronken het in de stagnante poel der zonden.

Ik heb het nooit meer teruggevonden.

Wel vond ik door die onbehouden doop

de weg naar een lang leven zonder hoop.

Ik deed mijn best maar ging niet dood.

Geit aan een touw, leg ik mijn cirkels bloot.'

Een navrant gedicht, dat hooguit in de eerste strofe iets oproept van de sfeer in het befaamde 'Het geitenweitje' van Jacqueline E.van der Waals, bij wie het geitje 'als een wittigheidje' door de wei dartelt. Maar daarna gaat het mis, verpulveren volwassen pedagoochelaars met hun botte ideeën het jeugdige geluk en dat komt nooit meer goed. De toespeling op zelfmoord in de voorlaatste regel vindt een echo in een ander gedicht dat illusieloos eindigt met: 'Strop of scheermes? Pillen, kogels? / Hoop op de dood is door de arts verboden'.

In 'Dichter' verklaart de dichter zich door 'gebrek aan hoorders' ziek. Daarop volgen een paar gedichten die, autobiografisch of niet, je zó niet in light verse zult tegenkomen. Eerst 'Endegeest', dat is een Psychiatrisch ziekenhuis in Oegstgeest, dan 'Dogmatil(c)' (een bekend antidepressivum en antipsychoticum) en vervolgens 'Psychiater', waarin de ik zijn 'somberheden lucht' en met nauwelijks verholen woede besluit: 'De doctor zwijgt en telt zijn uur. / Mijn woede smelt tot damp en vuur'.

Nee, dit zijn geen verzen van een typische light verse-dichter, al wordt die techniek frequent toegepast. Deze bundel is een uniek eigen domein van plastische virtuositeit en existentiële 'mooipraterij', waarin de dichter zich illusieloos maar uiterst vitaal weet staande te houden. Een waardige opvolger van de debuutbundel 'Gillette'.

mailIcon print |