recensie Stinkend rijk zijn de hoofdpersonen in Bruno Maderna's komische opera 'Satyricon'. En ze waren allemaal uitgenodigd bij de decadente Trimalchio en zijn vrouw Fortunata, voor een feest dat zijn weerga niet kende. Er werd geschranst, gezopen en geneukt. Zelfs het laten van winden was er tot kunst verheven.
Klinkt als een postmoderne zedenschets waarvan het libretto in de afgelopen tien jaar moet zijn geschreven, nietwaar? In werkelijkheid baseerde componist/dirigent Bruno Maderna (1920-1973) zich in zijn laatste opera 'Satyricon' op het gelijknamige boek van Petronius, uit de eerste eeuw van onze jaartelling. Diens hilarische kijk op de Romeinse zeden bleek woensdag in de Haarlemse Stadsschouwburg nog niets aan actualiteit te hebben ingeboet. Daar voerden studenten van De Nederlandse Opera Academie van de conservatoria van Den Haag en Amsterdam) onder leiding van Lucas Vis een geslaagde en eigentijdse versie op van Maderna's gezongen klucht.
De naam Maderna is nauw verweven met het Nederlandse muziekleven uit de roerige (of moet je zeggen 'decadente'?) jaren zestig. Toen probeerde een groep jonge componisten (onder wie Peter Schat en Louis Andriessen) hem vergeefs als dirigent voor hedendaagse muziek naast Bernard Haitink aan te stellen bij het Amsterdamse Concertgebouworkest.
Dat die aanstelling niet doorging, had zeker voor een deel te maken met Maderna's reputatie van 'alcoholische Italiaanse playboy', die moeilijk samen zou gaan met het sjieke Concertgebouw. De komische opera 'Satyricon', die hij vlak voor zijn dood in 1973 zelf in wereldpremière bracht tijdens het Holland Festival in Scheveningen, zou je wat dat betreft een persoonlijk statement kunnen noemen. De twintig boertige scènes en tape-gedeeltes waaruit de eenakter bestaat (met citaten uit de hele muziekgeschiedenis), mochten in willekeurige volgorde worden uitgevoerd. Een verhaallijn zat er niet in, het was veeleer of je als toeschouwer heerlijk dronken van het ene in het andere Felliniaanse tafereel tuimelde.
Behalve de soepele instrumentalisten onder Lucas Vis was de kleine cast een verrukking om voor oor en oog. Zo overtrof tenor Jan-Willem Schaafsma zichzelf in de karikaturale rol van Trimalchio, was mezzo Natalija Filimonova een gedroomde Fortunata en heb ik met verbazing geluisterd naar de katachtige stemcapriolen van sopraan Natascha Yakovleva (een nieuwe Cathy Berberian?).
De regie van Javier López Piñon was hier en daar wat te letterlijk, maar zijn idee om er een soort lounge party van te maken, was interessant. Zeker in combinatie met het fraaie toneelbeeld, waarin beeldschermen en digitale hoogstandjes de dienst uitmaakten. Ik vroeg me wel af of Monteverdi's statische madrigaal 'Ballo delle Ingrate' (dat als voorstelling-in-een-voorstelling binnen 'Satyricon' was verweven) geen afbreuk deed aan de tuimelende vaart van Maderna's zedenschets. Maar ook daarin werd goed gemusiceerd door het Amsterdamse barokensemble, en zong Hanneke de Wit als schim een aangrijpende jammerklacht voor ze weer werd teruggestuurd naar de onderwereld.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.