*

 

Zeefilosofie en zeilinformatica

Hans Dijkhuis − 19/07/03, 00:00

recensie Drie jaar geleden nam de Nederlander Pieter Adriaans deel aan de Star, een trans-Atlantische race voor solozeilers. Het was niet alleen een sportieve maar ook een wetenschappelijke uitdaging, want zijn boot was in computertechniek het meest geavanceerde race-jacht van dat moment. Een 'zelflerende' zeilboot bouwen, dat was wat hij zich had voorgenomen. Met hulp van velen kon Adriaans, computerdeskundige en medeoprichter van het softwarebedrijf Syllogic, dit doel verwezenlijken.

In 'Robot op zee' doet hij verslag van de ambitieuze onderneming. Het zeilverhaal wordt afgewisseld met uiteenzettingen over computertechnologie. Voor leken zoals ik, die noch iets van zeil- , noch iets van computerjargon weten, zijn er verklarende woordenlijsten. Maar het boek is méér dan een verslag, het is ook een wijsgerige essay. Adriaans heeft filosofie gestudeerd - hij is nu hoogleraar, met als opdracht de zelflerende systemen.

De filosofische beschouwingen gaan vooral over de vraag wat de uitvinding van de computer ons kan leren over de mens, over de aard van intelligentie en bewustzijn, over de verhouding tussen mens en machine.

Een hoofdthema is de kunstmatige intelligentie: zullen we ooit machines kunnen maken die kunnen denken zoals wij, die zelfbewustzijn hebben? Adriaans vindt dat we de pogingen niet op moeten geven, ook al zijn de hooggespannen verwachtingen van de begintijd tot dusverre niet waargemaakt.

Volgens Adriaans is de computer hoe dan ook zo'n geweldige bron van nieuwe menselijke creativiteit, dat we van een 'nieuwe Renaissance' kunnen spreken. Die creativiteit blijkt ook uit zijn eigen project.

Het systeem van de 'Robosail' was op zichzelf een succes. Maar de boot was uiteindelijk niet opgewassen tegen de zware stormen waarin Adriaans verzeild raakte. Met pijn in zijn hart moest hij de race opgeven, nadat hij eerst nog de bijstand van de toegeschoten oceaangigant Queen Elisabeth had afgeslagen.

De boeiende beschrijving van zijn tocht maakt duidelijk dat de 'romantiek' van het leven op zee ondanks alle techniek niet verloren gaat. Het verhaal leest als een ouderwets zeemansverhaal, met alles wat daarbij hoort: de strijd tegen de elementen, de zee als een vijandige natuurmacht, als haast goddelijke macht, de innige, persoonlijke band met de boot.

Adriaanse vraagt zich af of de filosofie geen ander aanzien zou hebben gekregen als zij door zeelieden zou zijn ontwikkeld, en niet door sedentaire landrotten. Het is een interessante vraag. Maar misschien moeten we niet al te veel verwachten van een maritieme filosofie. Bij zwaar weer heeft de zeeman wel iets anders aan zijn hoofd en krijgt hij veel te weinig slaap. Bij goed weer zijn er de eenzaamheid en de eenvormigheid van het uitzicht: 'de grens tussen meditatie en afstomping is dun op zee'. De wijsgerig aangelegde zeeman heeft kennelijk toch vaste grond onder de voeten nodig om zijn gedachten uit te kunnen werken.

mailIcon print |