*

 

Van de 206 eters waren er nog 56 over

Johan ten Hove − 19/07/03, 00:00

recensie Welke klassiekers moeten we in de 21ste eeuw nog lezen? In juli haalt het kanon vier grote ontdekkingsreizigers van stal. Deze week Willem Ysbrantsz. Bontekoe van Hoorn, schipper naast God van de Nieuw Hoorn, die 'in 't jaar ons Heeren 1618 den 28 december Tessel is uhtghevaren met aan boord 206 eters', en die op zijn reis naar Oostinje meer beleefde dan hem lief was.

Ontdekkingsreizigers' is de verzamelnaam geworden voor de mannen (vrouwen kom je vrijwel niet tegen) die door de eeuwen heen naar voordien in Europa onbekende oorden trokken. Waarbij de motieven varieerden van verspreiding van het christendom, tot het drijven van handel en het koloniseren van nieuwe landen. Vaak speelden al deze motieven tegelijk een rol. Pure nieuwsgierigheid zal er ook altijd bij gezeten hebben en soms ook de hang naar avontuur.

Zo gezien is het de vraag of Willem Ysbrantsz. Bontekoe wel tot de ontdekkingsreizigers gerekend moet worden. Zelf zal hij dat niet gedaan hebben, maar dat geldt voor meer 'ontdekkingsreizigers'. Sommige ontdekkingsreizigers echter zochten nieuwe wegen naar al bekende doelen, of werden door de omstandigheden daartoe gedwongen. En dat laatste geldt in hoge mate voor Bontekoe, die, na misschien wel de meest roemruchte Nederlandse scheepsramp (de Nieuw Hoorn ontplofte), erin slaagde de meeste overlevenden naar Batavia te brengen.

Daar komt bij dat Bontekoe een uitgebreid scheepsjournaal bijhield. Niets nieuws, dat moesten alle schippers doen, maar dat van Bontekoe, en dat is voor deze korte serie klassiekers van belang, werd al in 1646 als boek uitgegeven en is sindsdien een groot succes. Tot ver in de twintigste eeuw verschenen er tientallen herdrukken, vertalingen en bewerkingen van het 'Journael'.

En Johan Fabricius baseerde er zijn kinderboek 'De scheepsjongens van Bontekoe' op, dat in 1924 uitkwam en vorig jaar zijn 27ste druk beleefde. Hajo, Rolf en Padde hebben als geen ander de herinnering aan Bontekoe levend gehouden.

En nog steeds is ook het 'Journael' een uiterst leesbaar boek. Of zoals uitgever en boekverkoper Jan Jansz. Deutel in 1646 al in zijn 'voor-reden aen den leser' schreef, is 't lesen van gedenckweerdige reysen, en wonderlijcke gheschiedenissen onder alle wel een vande soetste tijdt-kortinghen'. En als de stijl ons niet zou aanstaan, dan is de schrijver Bontekoe verontschuldigd, meldt Deutel, want diens 'oogh-wit in 't beschrijven van dese sijne reys, is meer op waerheydt als op cierlijckheydt van segghen' geweest.

Voor Bontekoe zelf was dat de reden Deutels verzoek zijn journaal als boek te publiceren in eerste instantie af te wijzen. Later, na enige druk van vrienden, stemde hij alsnog toe. Overigens was met de ontploffing van de Nieuw Hoorn ook het scheepsjournaal verloren gegaan. Zodat Bontekoe diep in zijn geheugen moest graven en zijn boek weliswaar begon in de journaalvorm, maar daar al snel van afweek en overging tot het vertellen van de belevenissen van hem en zijn 'volck'. Zijn reizen in de Indonesische archipel en naar China zijn weer wel in de journaalvorm geschreven.

Zoals gezegd, nog immer een uiterst leesbaar boek dat een authentiek beeld geeft van de verre en lange reizen naar de Oost van die dagen, van de gevaren die zware stormen opleverden voor de kleine schepen, die naarmate de reis duurde steeds krakkemikkiger werden. En die maar met moeite te zeilen waren en nogal eens een eiland of een kaap, die vanwege de noodzaak van verversing moest worden aangedaan, niet konden bereiken. Van de honger en dorst aan boord, en van de ziekten die de bemanningen steevast teisterden wegens gebrek aan schoon water en verse groente en fruit. Van de ongelukken aan boord, waardoor mensen een oog of een been moesten missen, en vaak na dagen creperen alsnog stierven. Van de muiterij die immer op de loer lag bij een bemanning die de schipper en de officieren enerzijds van alles wat misging de schuld gaf, maar anderzijds voor een oorlam zich ook weer de benen uit het lijf rende. Van de angst voor vijandige inboorlingen en vijandige schepen, en de bloedige gevechten die er geleverd moesten worden. En ook van de plundertochten door de Hollanders op het Chinese vasteland, waar Bontekoe, samen met andere schippers, voor de VOC met grof geweld nieuwe handelskanalen moest openen.

De reis begon eind 1618. Al snel raakten de verschillende schepen elkaar kwijt, kon de Nieuw Hoorn niet aan land bij de Kaapverdische eilanden, werd Tristan da Cunha niet eens gezien en bleek ook Kaap de Goede Hoop niet te bezeilen, maar werd uiteindelijk Madagaskar wel bereikt.

Maar daarna, op 19 november 1619, bijna een jaar na het vertrek uit Tessel, vatte ergens op de Indische Oceaan eerst de brandewijn vlam, daarna het kruit, en 'sprongh het schip aen hondert duysent stucken', met nog 119 man aan boord. Want kort daarvoor hadden zeventig 'maets', tegen de zin van Bontekoe, het schip in twee boten al verlaten. De zwaar gewonde Bontekoe en zijn scheepsjongen overleefden de ramp en werden even later door de boten opgepikt. Waarna de godvruchtige Bontekoe zijn leiderschap bewees, voorkwam dat de 'maets' de scheepsjongens gingen nuttigen, en zijn 'volck' via Sumatra (waar nog fiks met 'inboorlingen' gevochten moest worden) naar de vloot van Frederik de Houtman in de Straat Sunda leidde. Dat moet dan begin 1620 zijn geweest en van de 206 'eters' in Tessel waren er nog 56 over.

Uiteindelijk vertrok Bontekoe als schipper van de Hollandia op 6 februari 1625 uit Batavia om op 16 november van hetzelfde jaar Zeeland te bereiken en kort daana zijn geboorteplaats Hoorn. Bijna verloor hij op die reis weer zijn schip, ditmaal in een ziedende orkaan. Daarna had hij er ook genoeg van en bleef de rest van zijn leven in Hoorn.

mailIcon print |