opinie Twee jaar geleden maakte Ivo van Hove als de nieuwe artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam zijn opwachting bij het publiek met zijn regie van 'De slachting in Parijs', een stuk van Hafid Bouazza dat deze baseerde op de resterende fragmenten van 'The Massacre at Paris' van Shake speare's tijdgenoot Christopher Marlowe. De voorstelling kraakte en kreunde onder het typisch Hoviaanse academisme dat tegelijkertijd zijn sterke kant is. Maar hier leken decor, kostuums, choreografie en de afstandelijke speelstijl ons te afgemeten het artistieke credo van de nieuwe leider mee te delen.
Daarna is Van Hove flink de andere kant op losgebrand. Blote lijven, beestenspul en snoeiharde rock joegen zijn regies tot ijlkoortshoogte op met als onbetwistbaar hoogtepunt van bizarrerie een jaar geleden 'Con amore', waarin jonge jongens en meiden zich almaar aan- en uitkleedden, onder een douche gingen staan of plaatsnamen op een wc-pot. Ik meende al dat onze Wonderjongen uit het Zuiden als een meesterlijk pakket Chinees vuurwerk aan onze toneelhemel uiteen wilde gaan spatten.
Maar zie, weer een jaar later presenteert Van Hove zijn enscenering van een nieuwe (en eigenzinnige) vertaling van Shakespeare's 'Othello' van dezelfde Hafid Bouazza, en de lijnen van deze prachtige tragedie worden wel koel-Hoviaans, maar scherp en overtuigend getrokken. In de eerste plaats geldt dit de wijze waarop je Othello de Moor onder de machinaties van zijn vaandrig Jago ziet transformeren naar de tot blinde woede en opperste wanhoop gebrachte generaal. Hier wordt de 'verwording van een ziel' getoond zonder één moment in hinderlijk gepsychologiseer te vervallen. Een dramatisch conflict wordt met puur theatrale middelen briljant uitgewerkt. De speler van deze buitengewoon zware rol is Hans Kesting en hij doet dat fantastisch. Als hij ten slotte in de laatste scène zijn Desdemona wurgt, naakt met een lijf dat zichtbaar niet meer zo jong is als dat van de Roderigo die hij tien jaar eerder in de vorige 'Othello' van Toneelgroep Amsterdam speelde, slaat de ontroering door je heen.
Andere elementen waarmee deze voorstelling Toneelgroep Amsterdam weer met één klap tot eerste gezelschap van het land maakt: de lichtvoetige schoonheid die Van Hove door zijn regie weeft. De openingsscène ('een straat in Venetië') situeert hij in een soort sauna-zaal, waar de mannelijke 'jeunesse dorée' aan het loungen is. Misschien heel nichterig, maar van een perfecte functionaliteit. De vechtscène tussen Othello en Jago, waarbij na afloop Kesting het verkeerde jasje aantrekt, en bromt: 'Ik heb jouw jas aan'. De moordaanslag op Cassio (prachtig spel van Barry Atsma), waarin de jonge acteurs van deze bezetting een schitterend ballet uitvoeren simultaan met de tweede scène van het vijfde bedrijf, het vermoorden van Desdemona.
Over het decor: De blauwe gordijnen van Jan Versweyveld, die de ruimte van het eerste bedrijf omzomen, worden bij de stormachtige aankomst van Othello en de zijnen op Cyprus opbollende en neervallende zeilen. Over de kostuums van An D'Huys: de Amerikaanse legeruniformen veroorzaken geen pseudo-actuele Irak-commotie, maar geven de voorstelling de statuur van de legendarische 'Ajax'-voorstelling van Sophocles van Peter Sellars. Over het spel: Naast de al genoemden vooral Roeland Fernhout als Jago. Pure slechtheid gecombineerd met een zo breekbaar verlangen naar vriendschap, dat de tranen in je ogen schieten. De Desdemona van Karina Smulders is een te zwakke aanklacht tegen de onverbloemde vrouwenhaters die deze militairen zijn. Anneke Blok als Jago's echtgenote gaat wel rauwer, maar niet effectiever tegen hen tekeer. Maar hun spel, en ook dat van bijvoorbeeld Alwin Pulinckx als Roderigo, past uitstekend in deze regie.
Bouazza is een meester op het gebied van onze taal. Omdat hij, naar ik vermoed, is opgevoed met het Nederlands en het Arabisch, geeft hij vaak blijk van een verrassende kijk op onze moedertaal. Zo speelt hij met het Nederlands een spel dat grote bewondering bij mij afdwingt, maar soms te bedacht wordt. Een voorbeeld: in de laatste scène komt
Othello de echtelijke slaapkamer binnen, waar Desdemona al in bed ligt. Hij spreekt dan het beroemdste vers van het stuk: 'Put out the light, and then put out the light'. Bouazza vertaalt dit, heel grappig eigenlijk, met: 'Het licht uitblazen en dan het licht uitblazen'. Immers, het tweede licht is de levensadem van Desdemona, en 'uitblazen' vind ik dan wel goed gevonden voor iemand die haar laatste adem moet uitblazen in het kussen waarin Othello haar verstikt. Het vervolg evenwel bij Bouazza luidt: 'Als ik jou les, jij vlammendrager, kan ik je licht herstellen'. Wat betekent dit? Shakespeare ('If I quench thee') brengt pas de oplossing: via 'je dorst lessen' heeft Bouazza gevonden dat 'lessen' kan betekenen: 'blussen, stoppen' en komt zo tot het lessen van een kaars. Briljant, Hafid, maar voor een doorsnee Hollander is dat toch te hoog gegrepen.
Nog één klein puntje van kritiek. Hans Kesting is van top tot teen met bruine schmink ingesmeerd. Is dat nou nodig? In die vorige productie was Rik van Uffelen van een witte schedel en aangezicht voorzien. Ik vond allebei eigenlijk geen gezicht. Als al in het begin valt dat Othello 'de Moor' is, hoef je toch niet zo te smeren? Laten we hopen dat onder onze landgenoten van het mediterrane type snel acteurs opkomen van hetzelfde kaliber als Bouazza schrijver is.
Ten slotte: de voorstelling werd tijdens de première met overdonderend applaus ontvangen door een publiek dat voor driekwart uit tieners en twintigers bestond. Een groot compliment voor Van Hove, zeker waar de meeste van onze toneelgezelschappen slechts een beschaafd applaus van grijze en kale hoofden ten deel valt. Het was wellicht het meest hoopgevende moment van deze grootse avond.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.