recensie Welke klassiekers moeten in de 21ste eeuw nog gelezen worden? Deze maand houdt 'het kanon' cultuurpessimisten van het interbellum tegen het licht: om te beginnen Oswald Spengler.
Bij tijd en wijle, als het economisch minder gaat, als oude zekerheden ons ontvallen en de schaduwen langer worden in het avondlicht, dan geven wij ons soms over aan cultuurpessimistische bespiegelingen over het verval van onze beschaving. Dat is iets van alle tijden, duikt regelmatig op, ook in onze tijd. Wat voorheen een apocalyptische dreiging en daarmee een religieuze dimensie was, heeft zich mettertijd filosofische allures aangemeten. Cultuurpessimisme is een interpretatie van het stadium waarin een cultuur zich wordt verondersteld te bevinden. En die interpretatie is bespiegelend van aard, d.w.z. zij is speculatief (afgeleid van speculum, dat spiegel betekent) en daarmee even onbewijsbaar als de bijbelse voorzegging van het einde der tijden. Daarmee is nog niet beweerd dat cultuurpessimisme zonder waarde is, want het is een vorm van bezinning en daarmee menselijk. Ook nu wordt Spenglers 'Ondergang van het Avondland' nog gelezen, want mensen willen zich oriënteren op de werkelijkheid die ook temporeel is, d.w.z. wij willen onze tijd begrijpen.
Het is echter wel zo dat Spengler tegenwoordig niet onbevangen wordt gelezen. Hij heeft het, m.b.t. een cultuur, herhaaldelijk over 'lot', 'bloed', 'ras', etc., en wij weten wat daarvan is gekomen. We weten overigens misschien minder dat Spengler mettertijd afstand heeft genomen van het nazisme.
Een andere term die telkens opduikt, en waaraan we ons nu storen, is die van Kulturseele. Culturen, waaronder de onze, hebben een ziel, meent Spengler. Dat is zoiets vaags, waaronder zo gemakkelijk van alles en nog wat kan worden geschoven, dat we dat nu met gekromde tenen lezen en niet meer aanzien voor serieuze beschouwing.
Maar daar moeten we ons toch nog eens op bezinnen. Want we spreken nu eenmaal over het Westen, over de cultuur van het oude Indië, etc, en dan hebben we meer op het oog dan enkel een geografische aanduiding. Wat Spengler bedoelde was dat een cultuur een samenhangend verband heeft die vanuit een geestelijk beginsel moet worden begrepen. Aan de uitingsvormen daarvan heeft hij, m.b.t. onze cultuur, vele bladzijden van zijn 1200 pagina's tellende boek volgeschreven. Het zijn de beste bladzijden, die het waard zijn telkens weer te worden gelezen. Spengler stelt dat onze cultuur wordt gekenmerkt door een sterke oriëntatie op Ruimte en Tijd. Bij andere culturen, bij voorbeeld de Antieke beschaving of de Arabische cultuur, is dat veel minder of ontbreekt het. Onze cultuur, die van het 'Avondland' dat zijn ochtendstond in de vroege Middeleeuwen had, drukt zich o.a. uit in ruimte. Dat onderkent Spengler in de grootsheid van gotische kathedralen, in verijlende orgeltonen, in wat hij Kolumbussehnsucht noemt: ons verlangen naar verte. Die drang naar ruimte kreeg ook vorm in het gebruik van 'ruimtelijke' kleuren als blauw en groen (bijvoorbeeld op Vlaamse, laat-middeleeuwse schilderijen, waarin men door een venster uitkijkt op de wereld), in onze wolken en horizonten, en natuurlijk in het perspectief. Later ook in onze stedenaanleg met brede boulevards en het point-de-vue, het uitzichtspunt van waaruit men alle kanten de stad kan overzien. Dezelfde treffende observaties maakt Spengler over de sterke aanwezigheid van het tijdsbesef in onze cultuur. In zekere zin is onze cultuur Tijd en Ruimte. Natuurlijk is het Westen meer dan tijd en ruimte. Wij kenmerken ons ook door onze wetenschappelijk-technische toe-eigening van de natuur, of door ons individualisme, om maar eens wat te noemen. Daar gaat Spengler overigens niet aan voorbij: hij heeft het over 'de faustische mens' (hetgeen verwijst naar onze technische overweldiging van de werkelijkheid), en over de krachtige individuen die daarvan het voorbeeld zijn. En ja, dan komt hij op de proppen met de blonde
bestie, een ideogram dat hij aan Nietzsche ontleende en waar na hem de nazi's slechte sier mee zouden maken.
Spengler staat bol van gezwollen woorden, zwaarwichtige formuleringen, bijna betoverende begrippen. Dat is Duits en het is gedateerd. Op z'n minst dus één reden om je er niet veel aan gelegen te laten liggen. Maar wie daarom de 'Ondergang' opzij legt, doet zichzelf tekort. Als cultuurfilosoof is Spengler nog steeds lezenswaardig. Als cultuurpessimist echter heeft hij zijn tijd wel gehad, zou je zeggen. Wat hij honderd jaar geleden zag aankomen, het einde, zou nu toch zo langzamerhand z'n beslag moeten hebben gekregen. Maar we zijn er nog. En sterker dan ooit, volgens Fukuyama (die ook over het einde schreef maar dan dat van de geschiedenis) omdat wij onszelf volledig hebben verwerkelijkt in de kapitalistische, liberale democratie: het ultimum bonum. Ook een fabeltje. Maar mensen zijn nu eenmaal gefascineerd door hemel en hel en hun geseculariseerde varianten. Dat blijft nog wel even zo. Daarom heeft Spengler meer toekomst dan hij ons wilde toekennen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.