*

 

In de woeste wereld van dark fiber

Marianne van den Boomen − 18/01/03, 00:00

recensie 'Dark fiber', letterlijk 'duistere vezel', is in de kabel-sector de benaming voor ongebruikte, niet-aangesloten glasvezelkabel. Bekabelaars leggen vaak alvast extra kabels neer, als de grond toch openligt voor andere werkzaamheden. Dat scheelt in aanlegkosten, als de extra verbindingen later nodig blijken te zijn.

Die ongebruikte kabels kunnen intussen worden geleaset en operationeel gemaakt door derden. In dat geval valt dat stukje netwerk geheel buiten het gebruikelijke beheer van grote telecombedrijven. Ik had er nog nooit van gehoord, tot Geert Lovinks boek verscheen onder die titel. Wat een prachtige metafoor voor een boek over kritische internetcultuur!

Het alvast klaarleggen van zulk 'zwart glas' kán gezien worden als uiting van de nog altijd hysterische verwachtingen omtrent de toekomst van communicatieverbindingen en bandbreedtes, als een soort zwart speculatiekapitaal dat op het juiste moment kan worden gewit en geëxploiteerd. Of het nou is in de context van de oude economie -die van aan nationale staten gebonden, monopolistische telecombedrijven- of in die van de nieuwe economie -van geprivatiseerde telco's- dark fiber kan gelden als een instrument in kapitalisme van het harde soort. Een bewijs te meer dat het marktmechanisme heeft het ooit zo anarchistische do it yourself-internet heeft opgeslokt.

Maar zo eenduidig is het niet. Wie wil, kan de ongebruikte kabels ook zien als een subversief potentieel, als een bijna autonome verbinding, als mazen in het monopolienet. Ze kunnen gebruikt als een ietwat duister ondergronds netwerk, met de juiste kennis, techniek en organisatie te gebruiken voor hele andere dingen dan waarvoor het bedoeld was. 'Dark fiber' is kabelleegstand, en bijgevolg te kraken, als een leegstaand speculatiepand. Die analogie is niet toevallig: de persoonlijke en intellectuele biografie van auteur Geert Lovink loopt van de Amsterdamse kraakbeweging en de 'Bilwet' (de Bond voor Illegale Wetenschap, waarin gewerkt werd aan een subversieve mediatheorie) naar het huidige net-activisme en de speurtocht naar een politieke hacker-ethiek.

Lovink maakt in zijn boek overigens geen keuze tussen een hegemoniale of een subversieve belichting voor 'dark fiber'. In de algemenere stukken van zijn boek overheerst de eerste invalshoek, het idee dat het internet door bedrijven en regeringen voor anderen gesloten wordt gehouden, omdat ze het informatie- en zakenklimaat vrij willen houden van dissidente stromingen.

Ook zijn voorbeeldstudie over de neergang van de Amsterdamse Digitale Stad staat in dat teken. De 'radicale media pragmatist', zoals Lovink zichzelf noemt, neigt eerder naar pessimisme dan optimisme. In zijn analyse van de rise and fall of dotcom mania lacht hij de snel-rijk-dotcom-gelovigen niet uit, bang dat zij uiteindelijk toch het laatst zullen lachen, al bijten ze nu in het stof.

Volgens Lovink is het dom nu te denken dat het Net weer lekker in handen zal komen van gebruikersgroepen aan de basis, van sociale bewegingen, non-gouvernementele organisaties, kunstenaars, net-critici en net-activisten. Lovink zou wel wíllen dat die subversieve droom uitkomt, maar hij is realistisch genoeg om te weten dat het niet vanzelf gaat. Hij heeft al jaren ervaring met het organiseren en aansluiten van dark fiber, met allerlei al dan niet tijdelijke mediawerkplaatsen waar genoemde groepen in samenkomen om het net politiek en sociaal open te houden.

Veel van deze 'critical internet cultures' worden in 'Dark Fiber' beschreven, als evenzovele illustraties van het feit dat er wel degelijk mazen in het geëxploiteerde, gesloten Net zitten. Neem Lovinks fraaie beschrijving van de geschiedenis van Nettime, de mailinglist 'for collaborative text filtering' die Lovink zelf mede heeft opgericht. Nettime -met op de Engelstalige lijst meer dan 2800 leden- laat zien wat er kan buiten het klassieke model van het webportaal: een virtueel maar altijd actueel knooppunt van kunstenaars, activisten, academici en anarchistische theoretici, waar niet alleen highbrow essays over nettheorie worden uitgewisseld, maar ook het wereldnieuws en net-art-initiatieven op de grens van politieke actie en kunst.

De combinatie (en clashes!) van het lokale en het globale, het activistische en het theoretische, het esthetische en het ethische, typeert ook de andere voorbeelden die in het boek bestudeerd worden, of het nu is het nieuwe-media-centrum Sarai in New Delhi of het Pyramedia 'new media arts event' in Tirana, Albanië. En altijd en overal gaat het erom een creatief publiek domein te organiseren tegen de globale, grootschalige verdrukking in.

Dit is ook internet, een internet dat voor de gemiddelde gebruiker van Hotmail, Google en online reisbureaus onbekend 'dark fiber' is. Een internet waar politiek niet wordt gereduceerd tot e-government of online-stemmen, net-art niet tot photoshoppen, antiglobaliseringsacties niet tot rellen rond wereldtoppen, cultuur niet tot musea, theorie niet tot academische proefschriften.

Dit boek, uitgegeven bij het prestigieuze MIT Press, laat dat 'andere internet' zien aan niet-ingewijden en dat is een grote verdienste. Enig ouderwets do-it-yourself is echter wel geboden, want af en toe is Lovink al te non-academisch en ontbreken heldere verwijzingen naar boeken, discussies en organisaties. Maar even googelen brengt meestal wel uitkomst. Geen fiber zo dark of het is aan het licht te brengen. En geen netwerk zo gesloten of er zitten wel mazen in.

mailIcon print |