*

 

Soldaat zijn is een kunst

Hans Oranje − 25/01/03, 00:00

recensie 'Rare jongens, die Romeinen!' Deze welbekende uitspraak van Asterix en zijn dorpsgenoten, onwillig als ze zijn zich aan het gezag van generaal Julius Caesar te onderwerpen, zou, als hij historisch was, ruim vier eeuwen later een andere lading hebben gekregen. Het West-Romeinse Rijk beleeft dan zware tijden en de meeste Romeinen sluiten liever de ogen voor het feit dat Hunnen en Vandalen, Franken en Visigoten vanaf de grenzen steeds dieper het rijk binnendringen. Ja, de jongemannen in die barre tijden hakten zich liever de duimen af dan goedgekeurd te worden voor dienst in het leger. De nieuwe barbaren in het rijk daarentegen, die Rome vaak noodgedwongen door een verdrag aan zich had verbonden, waren happig om door middel van een loopbaan in het leger carrière te maken.

In de jaren tachtig of negentig van die vierde eeuw schreef een verder onbekende Romein, Vegetius Renatus, een geschriftje over de selectie van rekruten voor het leger, aan welke eisen ze moeten voldoen en in welke bekwaamheden ze moeten worden opgeleid. Kennelijk vielen zijn raadgevingen in goede aarde, want in opdracht van de keizer, wellicht Theodosius I (379-395), breidde hij zijn boekje uit met een verhandeling over de organisatie van het Romeinse leger, vroeger en in zijn eigen tijd, en, als hoogtepunt van zijn werk, met een uiteenzetting hoe je ten strijde trekt, hoe je een kamp opslaat, rivieren oversteekt, de vechtlust van je soldaten opjaagt, aanvallen met zeiswagens of olifanten pareert, en nog veel meer. Doel van de krijgskunst, die volgens Vegetius boven alle andere kunsten te verkiezen is, is de vijanden zo massaal mogelijk te doden, in de slag of als ze vluchten.

Zijn bronnen, de militaire auteurs van de vroege republiek tot de tweede eeuw na Christus, heeft Vegetius zoals hij zelf zegt overgeschreven, maar omdat hun werk vrijwel verloren is gegaan of alleen in weer andere samenvattingen nog bestaat, kunnen wij dat niet meer nagaan. In elk geval schiet hij in het vierde deel, dat onder andere over de oorlogvoering ter zee gaat, zulke bokken, dat die wellicht toch op zijn eigen conto geschreven moeten worden. Het boekje is een curiosum waar ik nog nooit mijn aandacht op had laten vallen, zelfs niet het bestaan ervan vermoedde. Daar heeft de historicus Fik Meijer vriendelijk een einde aan gemaakt door Vegetius onder de titel 'Het Romeinse leger. Handboek voor de generaal' helder leesbaar te vertalen en in een bondige inleiding aan de lezer voor te stellen. Soms vind ik zijn geschrift zelfs aangrijpend, zoals in de puur strategische en van elke ethiek gespeende opmerking (p. 107): 'Vertrouw niet al te zeer op een goede afloop als een rekruut uitziet naar het gevecht, want de slag roept alleen aangename gedachten op bij onervaren soldaten'.

mailIcon print |