*

 

Sluijters' vrouwen willen vooral behagen

Cees Straus − 01/11/03, 00:00

Jan Sluijters (1881-1957) was een schilder die het zijn publiek niet bijster lastig heeft gemaakt. Hoewel hij soms liet zien dat vernieuwingsdrang hem niet vreemd was, bleek hij veel meer een navolger te zijn dan een avantgardist die al dan niet een onbegrepen soort kunst maakte. Vanuit een aandrang om een zo groot mogelijk oeuvre tot stand te brengen, maakte hij zoveel verschillende soorten schilderijen dat van elk thema, van elke techniek waarin hij werkte, wel een tentoonstelling gemaakt kon worden.

Dat gebeurt ook nu nog, getuige het feit dat de Kunsthal in Rotterdam een ruime keus kon maken uit het voor de handliggende thema van de vrouw. De Kunsthal komt tot zo'n 130 werken. Dat zijn vooral schilderijen maar er zijn ook beelden, boekomslagen en tekeningen bij. Ze komen uit een oeuvre dat in totaal 3 000 schilderijen omvat, naast een werkelijk ontelbaar aantal prenten, boekomslagen, illustraties en andere voorbeelden van toegepaste kunst.

Het was de vrouw die Sluijters niet alleen als muze inspiratie inblies, maar die zich ook als model én minnares niet onbetuigd liet. Omdat hij niet alleen in 'behaaglijke' kunst was geïnteresseerd en de moderne stijlen van zijn tijd beproefde, kan de Rotterdamse expositie vanuit verschillende invalshoeken bekeken worden. Waarbij het gegeven overeind blijft staan dat Sluijters er voortdurend naar streefde om het meest attractieve doek te maken. Dat ging nogal eens ten koste van werkelijke verdieping die hij anders gemakkelijk in zijn figuren of portretten had kunnen inleggen. Met alle respect voor Sluijters' vakmanschap als schilder, een diepgaande analyse van de vrouw maakte hij maar zelden. Het zijn in de regel goed geproportioneerde personages die zich wellustig op de divan of in bed neerlaten, waar vaak het leven overheen is gegaan, maar van een echte kenschets komt het maar zelden.

Sluijters is zeker geen Van Dongen geweest, zijn even beroemde tijdgenoot met wie hij stilistisch gezien veel overeenkwam. Beiden stonden in een fauvistische traditie, beiden behoorden tot de selecte groep van art-decoschilders die in de jaren 'twintigmet Franse zwier het aloude thema van de naakte verleidster nieuw leven inbliezen. Maar achter de opwindende façade van Van Dongens odalisken gaat een veel groter psychisch inzicht schuil, waar Sluijters blijft steken in een wazig starende blik, in nietszeggende amandelvormige ogen of de blik van een heel zwak gekarakteriseerde femme fatale.

Dat Sluijters er wel degelijk op uit was de kijker te behagen, blijkt uit een reeks van feiten. Zo combineert hij op bijna 17de-eeuwse wijze zijn portretten met fragmenten van stillevens. De ruglijn van een vrouw vormt een beeldrijm met een klassieke schenkkan die op haar beurt wordt voorzien van een fonkelende sinaasappel. Lelies, hét symbool van de onberoerde vrouw, komen eveneens in beeld. Niet zelden worden de vrouwen in een paradijselijke of exotische omgeving geïntroduceerd, zoals de baadsters bij Matisse op wie Sluijters grote invloed heeft gemaakt. Ook daarin stemt hij overeen met Van Dongen: beiden vormen de verbinding met de Franse moderne kunst. Had Sluijters zijn koers uitgezet op de Duitse expressionisten, dan had hij waarschijnlijk ook meer psychologisch inzicht moeten betonen.

Zo ver is het niet gekomen. Sluijters heeft zichzelf min of meer overleefd. Toen hij in 1957 op 76-jarige leeftijd overleed, was zijn werk een anachronisme in de moderne kunst geworden. Voor nakomende generaties heeft Sluijters anders dan Van Dongen niet zo heel veel meer te zeggen. Het publiek blijft evenwel smullen van zijn nu wel zeer onschuldige naakten.

mailIcon print |