*

 

Hoe definitief is de dood?

Hans Dijkhuis − 15/03/03, 00:00

recensie God had Adam en Eva verboden te eten van de boom midden in de Hof van Eden. Als ze dit verbod overtraden zouden ze sterven. Volgens Voltaire betekende de zondeval niets anders dan de geboorte van de menselijke rede: door de verboden vrucht te eten werd de mens niet sterfelijk, maar wist hij voortaan dat hij gedoemd was te sterven. Anders dan de dieren moet hij leven met het vooruitzicht van zijn dood.

Maar hoe dood is dood? Sinds onheuglijke tijden zijn religies ervan uitgegaan dat de mens na zijn dood op een of andere manier blijft voortleven. In twee recente boeken wordt het traditionele geloof in onsterfelijkheid uitvoerig beschreven. 'Leven door de dood' van Carolien van Bergen is deels een bewerking van haar vorig jaar verschenen boek 'Verlangen naar onsterfelijkheid'. Ze besteedt behalve aan de christelijke opvattingen veel aandacht aan de ideeën over reïncarnatie binnen het hindoeïsme en boeddhisme, religies waarover ze boeiend schrijft, omdat ze ook haar persoonlijke reiservaringen in de betreffende gebieden te berde brengt.

Het andere boek is 'Denken over dood' van Ton Vink. Evenals Van Bergen houdt hij het bij een getrouwe weergave van de verschillende opvattingen. Onsterfelijkheid valt nooit te bewijzen, benadrukt hij (ook niet door de zogenaamde bijna-dood-ervaringen, want die zijn inderdaad bijna-dood-ervaringen, geen ervaringen van de dood zelf). Maar de stelling 'dood is dood' is even onbewijsbaar.

De eerste hoofdstukken van beide boeken hebben veel gemeen, maar daarna gaan de auteurs verschillende kanten op. Van Bergen benadert de angst voor de dood vanuit een verrassende invalshoek. Waar zijn we eigenlijk bang voor als we bang zijn voor de dood, vraagt ze zich af. Onze grote angst is dat er niets van onszelf zal overblijven. Maar wat is dat dan, dit 'zelf'? Eeuwenlang is het westerse denken er vanuit gegaan dat het zelf de stabiele, aan zichzelf gelijkblijvende essentie van de mens is, die 'ziel' werd genoemd. Het boeddhisme was het daar al nooit mee eens, en Van Bergen laat zien dat de gedachte van een permanent zelf ook binnen het westerse denken steeds verder is ondergraven. Filosofen legden steeds scherpere criteria aan voor de bepaling van wat nog ons 'zelf' kan worden genoemd, en in onze tijd hebben filosofen en wetenschappers het zelf ontmaskerd als een nuttige illusie in de loop van het evolutieproces, als een produkt van onze relaties met andere mensen, of als een morele constructie, op grond van de in een bepaalde cultuur heersende opvattingen over het 'goede leven'.

De hoofdstukken die Van Bergen aan deze problematiek wijdt zijn uit theoretisch oogpunt al heel interessant, maar zij beoogt er ook een praktisch doel mee: een 'zelfrelativering', die ons kan helpen de angst voor de dood te relativeren. Als de gedachte aan ons eigen 'zelf' ons leven minder gaat beheersen, kunnen we meer oog krijgen voor het feit dat we deel uitmaken van een groter geheel, van een wereld die na onze dood blijft voortbestaan. Met een beroep op de psycholoog Lifton betoogt Van Bergen dat we ook hier nog van 'onsterfelijkheid' kunnen spreken. In deze symbolische zin kunnen we bijvoorbeeld onsterfelijk worden door eenwording met de ons omgevende natuur, door de produkten van onze creativiteit, of door onze relaties met vrienden en familieleden, in wier gedachten wij na onze dood zullen voortleven.

Ook Vinks boek bevat een praktische filosofie, maar dan van heel andere aard. Bij hem staat het sterven zelf centraal, en met name de keuze voor het moment van sterven. Vink gaat uit van een onvervreemdbaar recht op zelfbeschikking, dat niet alleen betrekking heeft op het eigen leven maar ook op het eigen levenseinde. De overheid mag dit recht alleen beknotten als bij de uitoefening van dit recht schade wordt berokkend aan anderen. Het gaat niet aan het recht op zelfbeschikking van individuen alleen te erkennen op voorwaarde dat je het eens moet zijn met de keuzes die zij maken. Je kunt met alle middelen proberen hen op andere gedachten te brengen, maar uiteindelijk moet je hun keuze respecteren. Vink plaatst deze opvattingen in de vrijzinnige traditie van denkers als John Stuart Mill en Bertrand Russell.

Vinks betoog betreft vooral de keuze voor bespoediging van de eigen dood. Hij pleit ervoor hulp bij zelfdoding (met name door middel van informatie) niet langer strafbaar te stellen; zelfdoding is zelf immers ook al lang niet meer strafbaar. Vink dwingt de lezer stil te staan bij deze controversiële kwestie, die onlangs door de zaak-Brongersma nog veel aandacht kreeg. We kunnen de ogen niet sluiten voor de mensonwaardige wijze waarop veel mensen een einde aan hun leven maken, bij gebrek aan betere middelen. Zich voor een rijdende trein werpen is niet alleen een afschuwelijke dood, maar ook zeer traumatisch voor de treinmachinist, die tot machteloos instrument van de zelfdoding wordt gemaakt.

De praktijkvoorbeelden die Vink noemt uit zijn eigen ervaringen als consulent bij de stichting 'De Einder' hebben overigens betrekking op mensen met een dodelijke ziekte, die niet het moment willen afwachten waarop ze wellicht geen invloed meer kunnen hebben op hun eigen dood. De grens met wat doorgaans 'euthanasie' wordt genoemd is hier vaag. Vink stelt voor om deze term alleen nog te gebruiken in het geval van levensbeëindiging bij anderen, die op dat moment wilsonbekwaam zijn. In de gevallen waarin mensen zelf willen en kunnen beschikken over hun levenseinde getuigt de term 'hulp bij zelfdoding' van meer

respect, zowel voor henzelf als voor de hulpverlener.

Vink benadrukt dat hij geenszins tegen de palliatieve zorg is, zoals die tegenwoordig ook in speciale 'sterfhuizen' wordt geboden aan mensen die de natuurlijke intrede van hun dood willen afwachten. Wel stelt hij, mijns inziens terecht, dat die mogelijkheid niet als argument mag worden gebruikt tegen degenen die er niettemin voor kiezen hun levenseinde te bespoedigen. In kwesties als deze zou het volgens Vink eigenlijk helemaal niet om 'voor' en 'tegen' mogen gaan, een opvatting die hij in het vuur van zijn betoog zelf soms vergeet door een wat al te polemische toon.

mailIcon print |