recensie De eerste tekst in het programmaboekje bij de nieuwe 'Fidelio'-enscenering van De Nederlandse Opera is 'De verklaring van de rechten van de mens en van de burger' zoals uitgevaardigd door de nationale vergadering van het Franse volk in 1789. In de laatste scène van de voorstelling wordt het toneel overspoeld door blauwhelmen, cameraploegen, ramptoeristen en regeringsfunctionarissen. Die laatsten spelden de politieke gevangene Florestan en zijn reddende echtgenote Leonore (alias Fidelio) eremetaal op - de overige gevangenen participeerden echter niet in de euforie die Beethoven dan muzikaal ontketent; de meute (inclusief de pers) laat hen links liggen.
Het was zeker een cynisch beeld dat regisseur Robert Carsen voorschotelde, maar daarom riep men geen boe woensdagavond in het Muziektheater. Boe's die overigens ook een storm aan bravo's ontketenden. De opkomst vanuit de zaal van de genoemde blauwhelmen en cameraploegen rukte de boe-roepers te veel uit de droom, uit het sprookje van opera - men zit er in eerste instantie voor een avondje uit en níet om nog eens het wereldleed over zich uitgestort te krijgen - toch? Onbedoeld smeet Carsen met die blauwhelmen bovendien de Nederlandse Srebrenica-schandvlek in het gezicht van die argeloze uitgaanders, twee dagen nadat het eindrapport van de commissie-Bakker gepresenteerd was.
Nee, erg gemakkelijk was deze voorstelling niet, maar wel buitengemeen spannend, keeltoesnoerend en logisch. Een schitterende vondst was het om de stem van de kwade genius, gouverneur Pizarro, meedogenloos via megafoons te versterken en de gevangenen op het podium hun stem te ontnemen - het koor zong onzichtbaar vanuit de orkestbak. De opkomst van die stomme gevangenen op de enorme en angstaanjagende luchtplek van de gevangenis was een magisch stil moment. Onderdrukkers hebben een stem, onderdrukten niet, leek de boodschap van Carsen. Onderdrukten krijgen pas stem en gezicht als organisaties als Amnesty International zich ermee bemoeien. De simpele kaars - symbool van Amnesty - speelde in de enscenering een ontroerende rol. Carsen had goed begrepen dat Beethoven in onze tijd ongetwijfeld een Amnesty-activist zou zijn geweest.
Vooral in het eerste bedrijf werd het begrip 'angst' met een hoofdletter A geschreven. Onaangename, navoelbare angst waarmee vergeleken de poging van de recente 'Fidelio' van de Vlaamse Opera afgedaan kan worden als poppenkast-angst. Onaangenaam werd het vooral met de opkomst van Pizarro, sinister belicht. De nasale megafoonstem en de vele gestreepte gevangenispakken, maakten de link naar Dachau en Auschwitz onontkoombaar. Dat deze Pizarro ook nog eens last heeft van smetvrees en om de haverklap als een morbide Pilatus zijn handen wast, voegde navrant een detail aan deze perverseling toe.
Alan Held acteerde en zong Pizarro geweldig. Hij moest als het ware in de echo van zijn eigen versterkte spreekstem zingen, maar was onversterkt minstens zo indrukwekkend. Charlotte Margiono, in een laat stadium ingevallen voor een zieke collega, overtuigde volledig in de titelrol. De manier waarop zij de climax van de opera - 'Töt erst sein Weib!' - vocaal hart en ziel gaf, zal ik niet licht vergeten. Ook haar fantastisch gezongen grote aria, belicht door een enkel kaarsje, was een hoogtepunt. Geen wonder dat dirigenten als Simon Rattle en Nikolaus Harnoncourt in haar hún Fidelio zagen. Ruth Ziesak (Marzelline) was ook al zo'n perfecte rolbezetting. Torsten Kerl (Florestan) vergiste zich tijdens zijn grote scène in de opbouw dusdanig dat hij aan het slot daarvan vocaal instortte.
Günter von Kannen (Rocco) en Christian Baumgürtel (Jaquino) zongen goed, maar onzorgvuldig waardoor dirigent Edo de Waart voortdurend alert moest blijven. De ondersteuning uit de bak van het Rotterdams Philharmonisch Orkest was mede daardoor rommelig. De Waart pompte de vaart en het drama er goed in, maar iets meer discipline zou geen kwaad kunnen. Het slotkoor was nu net zo'n wirwar als de berg gevangenispakken die als slotbeeld overbleef.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.