recensie Christine D'haen (1923) schrijft nu al bijna zestig jaar poëzie. Aanvankelijk bleef haar actieradius vrijwel beperkt tot Vlaanderen, maar toen in 1983 haar vijfde bundel 'Onyx' verscheen bij uitgeverij Athenaeum-Polak & Van Gennep raakte ook Nederland overtuigd van het belang van haar werk. In 1992 bleek de waardering ervoor zelfs zo groot, dat haar de Prijs der Nederlandse Letteren werd toegekend, de hoogste literaire onderscheiding in ons taalgebied.
In de jaren tachtig en negentig heeft zij met vier bundels haar oeuvre, dat in 'Onyx' min of meer verzameld was, nog verdubbeld en bovendien is zij in dezelfde tijd begonnen met het schrijven van autobiografisch proza. Binnenkort komt 'Het huwelijk' uit, een klein maar bijzonder pregnant boekje, waarin zij van op afstand (ze noemt zichzelf Edith en vertelt in de derde persoon) haar huwelijks- en gezinsleven behandelt in verband met haar rol als huisvrouw, lerares en dichter. Hier is te lezen hoezeer het dagelijks leven, haar beroep en gezin, vanaf de jaren vijftig een belemmering vormde voor het dichten, haar roeping. Het verklaart haar aanvankelijk spaarzame productie:
,,Zij maakt gedichten. Zij draagt het gedicht in zich, en werkt er altijd aan, mentaal. Later vraagt haar kleinzoontje: wanneer schrijf je je gedichten? Door de overmaat aan taken en bekommernis overweldigd, kan zij slechts één lang gedicht per jaar maken. Terwijl zij naar school rent, denkt zij eraan, vreugdevol. De klanken en woorden die elkaar vinden in de metra troosten haar in haar vermoeienis.'
Er staan in 'Het huwelijk' allerlei opmerkingen over poëzie die de aard van haar eigen werk en de verwachting die zij ervan heeft, verduidelijken. Bij voorbeeld: wanneer zij zegt dat ze haar leerlingen, ze geeft Engels, in kennis brengt met ,,de grote Engelse gedichten, van Beowulf tot Dylan Thomas, de pageant [praal] van vreemde woorden en wendingen, prachtige taalweefsels, stijltegenstellingen en echo's, die elkaar door de eeuwen heen beantwoorden, tegenspreken, haten en liefhebben. Nooit genoeg begrepen, telkens nieuw geopenbaard.'
Zo'n passage roept als vanzelf het begin op van een van haar bekendste gedichten, 'O caro lactea', waarbij een aantekening vermeldt dat de titel 'o melken vlees' betekent en een citaat is uit Bernardus Morlanensis (12de eeuw). De beginregel citeert Gertrude Stein:
Rose is a rose is a rose is a rose, doodloos en broos,
omzwachtelend zwoelte en koelheid, lip aan ooglid, licht
om ingevlochten schemer, reuk in kreuken, randen
van omgerolde vleezen voering; van zon doorzicht
de rozen zijn 't waarmee ik paar, elk bloemblad plooi,
maar parend stempel vind en stuifmeel, een pytisch slechts geslacht.
Op dat moment was D'haen, die wars van elke moderniteit zich beriep op Vondel en Milton, in oude spelling schreef en zich bediende van de barokke en klassicistische retoriek, al geëvolueerd van een traditionele tot een misschien zelfs postmodern te noemen, tekstenverwerkende dichter, die het experiment, zie hierboven, allerminst schuwde. Haar bundels gaan sindsdien steeds gepaard met nadere uitleg inzake bijbelse, mythologische, kunsthistorische en literaire verwijzingen of toespelingen. Deze hebbelijkheid irriteert menigeen, maar is toch nauw verbonden met haar opvatting dat poëzie niet een hoogst individualistische aangelegenheid is, maar inzichten verwoordt die van alle tijden zijn. Een probleem is alleen dat vrijwel niemand deze culturele bagage nog bezit, vandaar de uitleg.
Haar nieuwe verzamelbundel 'Miroirs. Gedichten vanaf 1946' vat het gedicht blijkens de titel op als een spiegel. Gedichten zijn omlijste, gebonden vormen van weerspiegeling, bezwerende vormen, die de mens in staat stellen ,,greep te krijgen op het verschrikkelijke, huiveringwekkende dat hij ziet als hij kijkt in het leven, de psyche, het zijnde' zegt ze in haar dankwoord voor de prijs der Nederlandse Letteren. In het latere werk lijken het intellectualisme en de materiaalverwerking dikwijls de boventoon te voeren en de voorkeur gaat dan als vanzelf uit naar de wat minder belaste, meer sobere gedichten, die niet de geleerde, maar de dichter aan het woord laten. Zoals het ongeannoteerde 'Genesis':
In 't alle licht weerschitterend wit
dringt 't alle licht verslindend zwart
en stokt verblind: dit pantser kaatst
het lichtdoorschoten git terug.
Hoe streelt het vel zijn schaduw dan
van glans en weerstand een bestand
hoe bijt zijn giftand in het naakt
dat slokt en helten openspert
hij deinst en stookt
ja gans beaamt de schreeuw geslaakt
van bliksemschichtend wit geraakt
inktzwart bespraakt.
Een gedicht als dit, hoewel ook niet gemakkelijk, is eerlijk gezegd een uitzondering in het latere werk. De verwijzingen en verwerkingen zijn hoe dan ook een heel wezenlijk element van D'haens poëzie. We moeten er dus maar wat moeite voor over hebben om haar te kunnen volgen. Haar erotiserende, wellustige taalgebruik, haar klankpatronen, haar breedte en diepte, ze zijn het waard. Zelfs een kwatrijntje zit al boordevol. Het komt uit de bundel 'Dantis Meditatio' (1998), waarin uit elke canto van Dante's 'Goddelijke Komedie' één versregel aanleiding geeft tot een dichterlijke overweging. Hier is het Louteringsberg 33, vers 81, door Verstegen vertaald met 'Zoals de was een afdruk zal fixeren':
Eenmalig werkzaam hersenstel
vol werelds spel met tegenspel,
facet van myriadental,
een worm een vorm van goddelijk al.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.