*

 

Ieder veilig in zijn eigen 'bel'

Wouter Kusters − 15/11/03, 00:00

recensie Over de Duitse filosoof en schrijver Peter Sloterdijk sijpelden in Nederland de afgelopen jaren gemengde berichten door. In 1999 verscheen een veel bediscussieerd essay van zijn hand 'Regels voor het mensenpark', waarin Sloterdijk zich met gentechnologie bezighield. Daarnaast mengde hij zich in het publieke debat over actuele kwesties, zoals over de kijkcijferlogica van de massamedia, en over Amerika en Israël als schurkenstaten. Maar dit zijn slechts kruimels vergeleken bij zijn recente hoofdwerk dat veel minder de aandacht trok: de 'Sferen'-trilogie.

Aan het monumentale werk 'Sferen', meer dan 2500 bladzijdes, heeft Sloterdijk acht jaar gewerkt, en het laatste deel verschijnt binnenkort in het Duits. De eerste twee delen van de trilogie zijn nu vertaald in het Nederlands, en verschijnen samen in éen band: 'Sferen'. Hiervoor was het helaas nodig om een aantal stukken van de Duitse versie weg te laten. Hoewel de omissies de gang van het verhaal niet verstoren, ontbreken nu wel enkele komische en scherpzinnige uitwijdingen.

De vertaler moet flink gezweet hebben bij zijn werk, want Sloterdijk gebruikt in het Duits veel woordsamenstellingen die in het Nederlands minder gebruikelijk zijn. Bovendien knipoogt hij in zijn boek veelvuldig naar andere Duitse schrijvers en filosofen.

Over sommige oplossingen valt wel te twisten: waarom bijvoorbeeld 'Exzentrierung' vertalen als 'excentrering', en 'exzentrierend' als 'uitmiddelpuntig'? Los hiervan is de vertaler er goed in geslaagd Sloterdijks stijl te behouden, zonder dat het een wollige indruk maakt.

De filosofische vraag waar Sloterdijks 'Sferen' om draait, is: 'Wáár is de mens?' In deel 1, 'Bellen', geeft hij een antwoord op microniveau: aanvankelijk is de mens in een ander mens, namelijk de moeder. Onze eerste ervaringen spelen zich in een omsloten, beschermende ruimte af, de baarmoeder, waar we stoffen uitwisselen met het meest nabije, de placenta. Zodra we daar uit zijn, zoeken we nieuwe 'microsferen' om ons te beschermen. Deze nieuwe 'bellen' zijn die van de twee-eenheden van geliefden, van een magnetiseur en zijn patiënt, of die van een kind met zijn pop.

Sloterdijk benadrukt dat we altijd sterke betrekkingen (relaties) zoeken met anderen, en bezielde binnenwerelden proberen te creeren. Moderne ideeën over individualisme en autonomie mogen politiek gezien waardevolle concepten zijn, menselijk gezien zijn het afgeleiden van een primaire verbondenheid: ,,Dat de band met het soortgelijke niet achteraf of als iets extra's tussen monadische substanties of eenzame individuen wordt gesmeed, maar voor veel wezens hun zijnswijze zelf uitmaakt: dit is een gedachte die er bij de filosofisch vooringenomen intelligenties niet van meet af aan in wilde.'

In zijn gehamer op sterke betrekkingen bedient Sloterdijk zich van een grote en veelzijdige hoeveelheid bronnen. Middeleeuwse schilderijen tonen hoe geliefden letterlijk hun bloed deelden. Het verhaal van Odysseus en de Sirenen vertelt over de sterke relaties die ontstaan als gevolg van het stemgebruik. Aan de hand van de autobiografie van Andy Warhol - waarin die vertelt over zijn intieme band met een cassetterecorder- betoogt Sloterdijk dat, waar men vroeger intieme sferen bouwde met engelbewaarders en Jezus-figuren, de hedendaagse mens de mythologische middelen vervangt door technische.

Placenta's, engelbewaarders en mystiek, voor sommigen klinkt het te esoterisch, te zweverig. Sloterdijk vindt dat niet erg: sterker nog, hij betoogt juist dat mensen geboren zijn om te zweven. Later, in het nog niet vertaalde deel 3, 'Schüume', verdedigt hij de lichtvoetigheid, de verstrooidheid en de zweverijen tegen de ernst, de zwaarmoedigheid en de gewichtigheid. Onbekommerd combineert hij hierbij de plechtig filosofische taal van Heidegger met bespiegelingen over de ontsnappingskunst van de Tsjechische volksheld soldaat Svejk. Zo geeft hij aan het begrip 'zweverigheid' een nieuwe, positieve draai.

Sloterdijk construeert zijn verhaal met veel metaforische verschuivingen, associaties, en mengelingen van tekstsoorten, terwijl hij minder gebruikmaakt van rationele, dwingende argumenten. Hierdoor beweegt de Duitse filosoof zich tussen literatuur en filosofie in.

Zo werken de hoofdmetaforen van 'bellen', 'globes', en 'schuim' in zijn beeldende vertellingen wel overtuigend, maar geeft hij nooit een schematische analyse of eensluidende definiëring. Zijn metaforen blijven zweven, en op verschillende plaatsen hebben ze steeds een iets andere betekenis.

Enerzijds werkt dit stimulerend: in 'Sferen' is het denken in beweging, en is het aan de lezer om de beweging zelf verder af te maken zoals hij dat wil. Anderzijds ligt ook het gevaar van vrijblijvendheid en nietszeggendheid op de loer.

In 'Globes', het tweede deel van 'Sferen', beschrijft Sloterdijk hoe de mens ook naar zekerheid en veiligheid heeft gezocht in grotere verbanden, 'macrosferen'. Toen hij eenmaal in steden ging wonen, zocht hij bescherming door stadsgoden te aanbidden, of -eeuwen later- door een 'nationale identiteit' aan te nemen.

In 'Globes' laat Sloterdijk zien hoe men tot steeds grotere samenlevingsverbanden kwam, totdat ze te groot werden om nog bescherming te kunnen bieden. Dat begon bij de Grieken: zij filosofeerden over een ideale ronde vorm, de globe, die model voor de kosmos stond. De filosoof zou zich vanaf die tijd een bewoner van de kosmos, kosmopoliet, voelen, en in deze kosmos naar wetten en regels zoeken die hem begrijpelijk maken.

In het Christendom werd deze lijn voortgezet: het is een religie met een zelfde universele pretentie als de Griekse filosofie. Wel voegde men als kenmerk van de beschermende sfeer het predikaat oneindigheid toe aan het godsbeeld. Dit was volgens Sloterdijk te veel van het goede: ,,Deze god, wiens centrum overal en wiens omtrek nergens is, is volstrekt niet meer te gebruiken als morfologische barrière tegen het 'buiten'... Zijn rijk is niet van deze binnenwereld... Wie gelovig wilde blijven, moest naar een god reiken die zich van het intieme en ronde had ontdaan. Maar wie zou zich kunnen voorstellen dat hij met dit goddelijk-wiskundig monster een relatie onderhield?'

Uit de eerste twee 'Sferen'-delen spreekt een lichte weemoed: de solidariteit uit de microsferen lijkt in de moderne tijd onder druk te staan van technologie en individualisering, terwijl de macrosferen gewelddadig of ongeloofwaardig zijn geworden.

In deel 3, Schüume, schetst Sloterdijk echter hoe mensen zich uitstekend redden zonder nationalistische of religieuze 'auto-hypnotiseringen'. Tegenwoordig bouwt men zelf zijn 'sferen': in het rijke Westen herbergt ieder woonappartement een eigen leefwereld, 'sfeer', of 'schuimblaasje'. De rijkdom, de technologie en de juridische en sociale bescherming zorgen dat mythes over engelbewaarders of nationale identiteiten niet langer nodig zijn.

Sloterdijks trilogie is een Groot Verhaal, waarin een nieuwe sociologie, psychologie, wereldgeschiedenis en filosofie zijn samengesmeed. De gedetailleerde uitwijdingen bieden weinig aanknopingspunten voor kritiek, omdat het uiteindelijk om het grotere geheel gaat. Dat verhaal - over de sferen en hun transformaties- moet zijn overtuigingskracht dan ook niet van een sluitende argumentatie hebben, maar eerder van een plezierige plausibiliteit. Uiteindelijk wordt de waarde van dit boek noch door de details noch door de hoofdlijn bepaald. Die ligt eerder in de levendige manier van beeldend schrijven en in de vreugde voor de taal en het denken die de lezer proeft.

Wie over een van Sloterdijks deelonderwerpen alles wil weten, kan beter elders terecht. Voor wie van humoristische dwarsverbindingen, gewaagde metaforen, existentiële bezinning en scherpe psychologiseringen houdt, is de 'Sferen'-trilogie een uitermate verrijkend boek. Hopelijk gaat uitgeverij Boom ook snel over tot vertaling van het laatste deel, zodat 'Schüume' klaarligt tegen de tijd dat de lezer de eerste twee delen uit heeft.

mailIcon print |