recensie What's in a name? Alles en niks, zou ik zeggen. Je naam plaatst je in een bepaalde cultuur en traditie. Maar intussen zegt het niets, want je plaatst je als volwassen mens natuurlijk in een zélf veroverde, zélf doordachte en doorleefde cultuur en traditie. In mijn eigen naam bijvoorbeeld ruik je op afstand, zoals mijn van oorsprong Javaanse vriendin weleens plagerig zegt, de kaaskop. Ik voel me absoluut geen kaaskop, maar die metafoor zit wel in mijn naam ingebakken. Ik heb er in Nederland overigens geen enkele last van. Voor voornoemde vriendin ligt dat, met háár naam en kleurtje, weer een slagje anders...
Zo ook, denk ik, voor de dichter Mustafa Stitou. Hoewel namen, afkomst, huidskleur,
et cetera op een individueel niveau en vanuit een vrijdenkersstandpunt bezien er hoegenaamd niet toe doen, bepalen ze toch vaak de oor- en vooroordelen van velen. Als ik hier de nieuwe, prachtige derde bundel van Mustafa Stitou (spreek uit: Stitoe) ter sprake breng, zou ik het dus eigenlijk helemaal niet over zijn van oorsprong Marokkaanse komaf willen hebben. De dichter zelf, vermoed ik, evenmin, maar hij ontkomt er eenvoudig niet aan om het her en der toch even stevig in zijn gedichten te laten doorschemeren. Mustafa Stitou, de naam klinkt als een klok maar is niet Hollands, is een door en door Nederlandse, van de Nederlandse cultuur en literaire traditie doordesemde jonge dichter die óók nog weet heeft van andere culturen en daar als een eclectische vrijdenker uit put wat hem bevalt. En dat alles in een postmoderne, poëtische potpourri waar je je vingers bij aflikt.
En nu heb ik nog niet eens verteld dat Stitou's nieuwe bundel 'Varkensroze ansichten' heet en het voorplat van zijn bundel geheel wordt ingenomen door een detail van een brandschoon gewassen varkensbuik met prachtig wit varkenshaar en drie varkensspenen incluis. Een verbaal en picturaal statement? Het lijkt me wel! Het varken is volgens de islamitische religieuze gebodsbepalingen een onrein dier. Zet Stitou zich hiermee af tegen ortodoxe islamieten? Ongetwijfeld. Maar evenzogoed smijt hij dit prachtige roze in de oogballen van die westerlingen die bij het horen van een Arabische naam in een kramp schieten.
Intussen is zijn engagement, lang niet in elk gedicht aanwezig overigens, nergens irritant. Het eerste gedicht, 'Het zingen vergaat je', laat meteen mooi zien hoe terloops en speels hij zijn ideeën en gevoelens hieromtrent integreert in een groter, niet zelden grotesk geheel. Het is een vierluik waarin de 'ik', Mustafa geheten, constateert dat hij op het terras van zijn hotel ergens in de Ardèche door de eigenares 'opvallend onvriendelijk' wordt bediend. 'Vermoedelijk / stond mijn huidskleur haar niet aan en mijn naam'. Eng geneuzel in een krant over 'een nationale identiteit' passeert even de revue en net als je denkt 'Nu weet ik het wel' komen er drie speleologen (grotonderzoekers) het terras op en beginnen een enthousiast gesprek over hun ontdekking van een nieuwe grot met prehistorische grotschilderingen. En dan slaat deze bij uitstek praterige, zeer weloverwogen van de hak op de tak springende dichter toe. Alles zoomt nu in op de drie wetenschappers en hun langzaam compleet stilvallend gesprek. We zijn getuige, aldus de 'ik', 'van een historische gebeurtenis / van de hoogste orde maar door onze soort / een plaats in onze geschiedenis ontzegd'.
En dan krijgen wij, begenadigde poëzielezers, deze normaal verzwegen vorm van oral history toch te horen: 'De speleologen, gekweld vroegen ze zich af: / naar wie van ons wordt de grot vernoemd?' Dit is een typerend einde voor Stitou, die nooit bij één ding blijft stilstaan (in dit geval het genoemde engagement), maar telkens scherven werkelijkheid en invallen opeenstapelt om vervolgens uit die chaos gek genoeg met iets wezenlijks te voorschijn te komen.
Speels, humoristisch op het groteske af, en toch serieus: zo moet je deze poëzie interpreteren. In een gedicht dat ook weer van alles samenbrengt, het verslag van een voordracht in Parijs en de woede van de dichter wanneer hij 'twee kutmarokkaantjes' een scooter ziet stelen, typeert Stitou zijn eigen dichterschap met enige ironie aldus: 'de conceptueel-'anekdotische', op z'n minst antimetafysische dichter'. Je moet dit echt letterlijk nemen: Stitou blijft bewust aan de oppervlakte der dingen, omdat de afglans daarvan de meest speelse wezenlijkheden blootlegt. Aan het slot van de bundel leraart een zoon dan ook tegen zijn vader: ,,het verborgene is het verborgene niet vader / het is de schittering over dieren mensen dingen / dus waarom knielend bidden / wanneer ikzelf het gebed ben?' Dit is, in al zijn would-be oppervlakkigheid, buitengewoon diepzinnig.
Het is onmogelijk om deze breed uitwaaierende poëzie, waarin ook prozagedichten, readymades en (vaak weemoedige) satires op oosterse en westerse gewoontes aan bod komen, in kort bestek te typeren. Stitou brengt moeiteloos de engel Gabriël, de cineast Sokoerov, een lijfwacht en een poepende Führer in één gedicht bijeen en komt daar twee gedichten later ijskoud letterlijk op terug om mee te delen, in een functioneel onaffe zin, dat 'misschien / het onzegbare met het banale - het onverenigbare -'... vult u zelf maar in. Maar dat hierin het onzegbare en onverenigbare in inderdaad vaak 'banale' glinsteringen weerspiegeld wordt, is een ding dat zeker is.
Stitou keet en is bloedserieus tegelijk en breekt heilige huisjes af want: ,,Niemand mag heilig zijn niemand / daarom hebben we het hier goed'.
Zijn gedichten doen, zonder dat er van directe invloed sprake lijkt, soms sterk denken aan de vroege Tonnus Oosterhoff, en dat is des te prettiger, daar Oosterhoff zelf met zijn almaar hermetischer wordende poëzie steeds minder op zichzelf begint te lijken. Deze uiterst praterige poëzie, die door slim gebruik van herhalingen die als refreinen dóórklinken toch iets zangerigs heeft en die het banale op betekenisvolle wijze tegen het onzegbare laat aanschurken, is een genot om te lezen en herlezen. Stitou, een hoogst interessante jonge Nederlandse dichter. Onthoud die naam.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.